Serious games

Vandaag was ik bij MBOCity, een onderwijsconferentie voor het mbo. Het tweede verslag.
Deze sessie werd verzorgd door Wim Westera, hoogleraar educatieve media aan de Open Universiteit.

Volgens Wim Westera zijn games de leeromgevingen van de toekomst, veel leerarrangementen en -activiteiten zullen in die vorm aangeboden worden. Zolang de mensheid bestaat worden er spellen gespeeld en ook het dierenrijk kent zijn spellen. Waarom spelen we? Spel is een essentiële menselijke behoefte, de basis van de cultuur ( Johan Huizinga, Homo Ludens). Van jongs af aan tot op hoge leeftijd wordt er gespeeld om te leren, de tijd te doden, samen te zijn, etc.
Er gaat in de game industrie meer om dan in film en muziekindustrie samen. VR is de nieuwe groeimarkt. Daarnaast zijn de wearabless aan populariteit aan het winnen: aan lichaam gekoppelde computertjes die van alles kunnen registreren en verbonden worden met spellen die jou vervolgens verbinden met gemeenschappen.
De serious games hebben niet primair entertainment als doelstelling, waarmee ze zich onderscheiden van de anders games. Voor Nederland is de game industrie van groot belang, omdat ons land het niet primair van productie moet hebben, maar van creativiteit en innovatie.
Vervolgens laat Westera een keur aan serious games voorbij komen. Van rekenspellen voor de basisschool, via flightsimulators tot spellen die ingezet worden om demente bejaarden te activeren. Volgens Westera speelt het grafisch design een minder grote rol bij serious games dan bij de andere games, het primaire doel is anders.
Wat is nu de kracht van games?
Het is een spel.
Het interactief waardoor de deelnemer zich meer betrokken voelt.
Je kunt het zelf beleven, ondergaan.
Jij bent de baas, je zit aan de knoppen.
Je kunt dingen doen die in het echte leven niet kunnen, bijv. iets flink laten mislukken. En dat laatste sloot mooi aan bij wat  Farid Tabarki eerder op de dag zei: durf/leer te falen.

Wat ik in het verhaal miste was o.a. het gebruik van augmented reality en de mogelijkheden om daar gebruik van te maken in het onderwijs. Het maken van materiaal hoeft tegenwoordig niet veel meer te kosten, behalve tijd. Ook het verschijnsel badges, een mogelijke beloningssystematiek verbonden aan spellen, kwam niet aan de orde. Maar dat het onderwijs en met name het mbo niet meer om games heen kan, is wel duidelijk.

Het Rijksmuseum is er ook voor het mbo

Vandaag was ik bij MBOCity, een onderwijsconferentie voor het mbo. Het eerste verslag.

Het Rijksmuseum verzorgde een sessie met directeur Taco Dibbets en Wouter van der Horst van de dienst onderwijs. In een dialoog vertellen ze en laten vooral zien waar het Rijks voor staat en wat de mogelijkheden zijn voor het mbo.
Tijdens de plenaire opening zei Dibbets al dat het Rijks niet kan bestaan zonder de vaklieden die in het mbo opgeleid zijn. Daarnaast benadrukte hij het ‘maker’-element in bijna alle kunst, mooi aansluitend bij de huidige aandacht voor het maak-onderwijs. Er zijn inmiddels specifieke rondleidingen voor het mbo ontwikkeld omdat het museum meer mbo-leerlingen  binnen wil halen.

Taco Dibbets vertelde iets over zijn eigen ervaring als kind met De Nachtwacht, waarbij hij zich afvroeg waarom het schilderij zo’n belangrijke plek in de Nederlandse geschiedenis inneemt. En zijn toenmalige leraar vertelde hem dat Rembrandt een verhaal wilde vertellen en daar o.a. licht voor gebruikte. Rembrandt was de eerste die op deze wijze werkte. Kunst, volgens Dibbets, heeft heel veel te maken met materiaal, techniek, technologie en verwondering, allemaal zaken die een spilfunctie hebben in het mbo.
In de tijd van de bouw van het museum, eind 19e eeuw, was er een enorm geloof in vakmanschap, maar ook angst dat veel daarvan zou verdwijnen als gevolg van de industriële revolutie. Dibbits gelooft niet zo in het verdwijnen van vakmanschap. Vakmanschap speelde een grote rol bij de recente verbouwing van het museum. Voor het restauratie schilderwerk werd de samenwerking gezocht met Sint Lucas Boxtel, waar vaklieden in die richting opgeleid worden. Op deze manier is een nieuwe generatie vaklieden gevormd.
Een ander segment van de collectie is de kunstnijverheid, voorwerpen die het product zijn van vakmanschap, materiaalbehandeling en creativiteit. De complete collectie kun je dus op een aantal manieren bekijken: dat kan  vanuit het kunstbegrip, maar ook vanuit het begrip vakmanschap. Dan ontstaat er ineens de mogelijkheid om diverse voorwerpen te verbinden met specifieke vakrichtingen in het mbo. Om in mijn eigen vakrichting te blijven: de stillevens en markttaferelen met afgebeelde eet- en drinkwaren, gereedschappen om voedsel te bewerken en kookgerei door de eeuwen heen. Het Rijks als visueel geheugen van Nederland geldt dus voor vele vakgebieden.
Het Rijks is gratis voor mbo-leerlingen en de dienst onderwijs is beschikbaar voor vragen en denkt mee bij verzoeken tot maatwerk.

Mea maxima culpa

Ik ben man.

Ik ben blank.

Ik ben babyboomer.

Ik ben hoog opgeleid.

En ik ben, samen met mijn soortgenoten, verantwoordelijk voor alle ellende, vooral de economische, in dit land.

Althans volgens velen, waaronder Linda Duits in haar column/blogpost.

Er wordt mij, en mijn soortgenoten, heel veel verweten.

Ik doe al 46 jaar betaald, wit, werk en al die jaren betaal ik premie voor sociale verzekeringen. Ik heb 46 jaar lang met liefde meebetaald, en nog steeds, aan de AOW van hen die ons land na de oorlog wederopgebouwd hebben en waar ik de vruchten van plukte. Ik heb dat mede gedaan in de verwachting dat ik zelf, als ik de leeftijd bereikt zou hebben, ook gebruik zou kunnen maken van dat staatspensioen. Maar het blijkt velen zwaar te vallen om dat ‘offer’ te brengen, om onder ogen te zien dat de welvaart waarin ze opgegroeid zijn mede door mijn generatie tot stand is gebracht. En ik zal niet eens 46 jaar gebruikmaken van die AOW.

Mij wordt verweten een vet pensioen te krijgen. Ik heb vanaf 1973 pensioenpremie betaald en daar dus gewoon voor gespaard, daar heeft een ander niet aan bijgedragen.

En misschien is het handig om mevrouw Duits en anderen enig historisch besef bij te brengen. Toen ik van de middelbare school afkwam, was dat voor de meesten eindonderwijs. Men ging werken, trouwde en kocht of huurde een huis. Ik had het geluk op te groeien in een gezin waarin mijn ouders het belangrijk vonden hun kinderen een verdere opleiding te laten volgen. Alle vier hebben een vervolgopleiding kunnen doen. Maar de kosten kwamen voor 100% voor rekening van mijn ouders, geen cent via lening of beurs. Dus op kamers gaan zat er niet in. Mijn vader zat net boven de inkomensgrens. En in de vakanties gewoon een paar weken werken voor de extra’s. Ook alle vervolgstudies die ik gedaan heb en nog doe, heb ik zelf bekostigd. Ik viel buiten elke regeling.

Ooit gehoord van de woningnood in de jaren ’70? Een koopwoning kon ik me niet veroorloven, voor een huurwoning kwam ik toen, als alleenstaande, de eerstkomende 20 jaar niet in aanmerking. Ik mocht mijn geluk beproeven in de vrije sector. Dat betekende dat ik van het salaris dat ik toen verdiende, bitter weinig overhield.

Is dit een klaagzang? Absoluut niet, ik heb een geweldige jeugd gehad en tot nu een leven waar ik met veel voldoening en plezier op terugkijk. Ik ga ook niet met de vinger wijzen naar de generatie van 20-40 jarigen en allerlei verwijten maken. Het platte populisme waar mevrouw Duits in vervalt, daar wil ik verre van blijven. Iedere generatie heeft zijn eigen problemen en zorgen en zal die zelf op moeten lossen binnen de mogelijkheden die er zijn. Een ander doet dat niet voor je.

En ik kan heel veel goedbedoelde adviezen geven, maar daar wordt toch niet naar geluisterd. Want ik ben zo’n bevoorrechte, mannelijke, blanke, hoogopgeleide babyboomer. Maar dat is zo’n beetje wel het enige waar ik niet schuldig aan ben.

Het VIVES-interview

Een paar maanden geleden werd ik benaderd of ik geïnterviewd wilde worden voor VIVES.

Nu ben ik niet de persoon die zonodig in het middelpunt van de belangstelling wil staan,

dus ikvives had wat reserves. Ik werd over de streep getrokken door de onderwerpen die o.a. aan de orde zouden komen: een leven lang leren (zo belangrijk), de plek van ict in mijn onderwijs (ook zo belangrijk) en wat er zou gebeuren met mijn, wat ik maar noem, onderwijserfenis (een aanhoudende zorg). Wat volgde was een geanimeerd gesprek van bijna twee uur met Brigitte Bloem, de interviewster, waarin zo’n beetje mijn hele onderwijsloopbaan aan bod is geweest. Natuurlijk is niet alles in de uiteindelijke tekst terechtgekomen en misschien wel goed ook.

De foto bij het artikel is niet speciaal voor het interview gemaakt, maar is een actiefoto van mij in de leskeuken, gemaakt door mijn collega.

Klik hier voor de volledige tekst van het interview.

CuliCul 12 Het wezen van de Rostbraten

Op een van de laatste avonden tijdens onze vakantie in Oostenrijk belandden we in een restaurant. Niet zo’n doorsnee vertegenwoordiger van de gutbürgerliche Küche waar de menukaart nog de geest van de jaren 50 ademt, maar het restaurant dat behoort tot een zakenhotel met een wat modernere menukaart. Op de kaart ook een paar klassiekers:

SpeisekarteJuni2016.pdf

Omdat ik zin had in een goed stuk vlees, koos ik voor de Zwiebelrostbraten. Toen de serveerster na het opnemen van de bestelling wegliep, vroeg ik me af waarom ze niet naar de gewenste cuisson (gaarheid) van het vlees vroeg, ik verwachtte nl. iets in de geest van een entrecote. Toen het gerecht geserveerd werd, begreep ik waarom. Wat ik kreeg waren twee gare plakken heel zacht vlees (leek een beetje op rolladeplakken, maar dan zonder vet e.d.), een puike uiensaus met garnituur van geroosterde uitjes, voorbeeldig gebakken aardappelen en ingemaakte komkommer. Met het gerecht op zich was niets mis, maar, vroeg ik me af, is dit nou wel een Rostbraten? Weer thuis maar eens op onderzoek gegaan. Continue reading

Mijn eerste schreden op het terrein van de ‘verrijkte werkelijkheid’ (augmented reality)

Een paar weken geleden was ik te gast bij SURF waar edubloggers uitgenodigd waren op een bijeenkomst over de stand van zaken m.b.t. virtual reality. Naar aanleiding van de meetup vroeg ik me af wat de waarde van deze ontwikkeling kan zijn en dan met name voor het mbo. Op dit moment kunnen we in dit kader drie vormen van reality, werkelijkheid, onderscheiden. De gewone dagdagelijkse werkelijkheid, deze werkelijkheid maar dan verrijkt (augmented reality, a.r.) en de schijnbaar bestaande werkelijkheid (virtual reality, v.r.). Tijdens de bijeenkomst hebben we een paar mooie voorbeelden gezien van en ervaringen gehoord met virtuele werkelijkheid. De spelindustrie en opleidingen die zich bezighouden met toekomstscenario’s lijken de belangrijkste gebruikers te zijn. Iets voor het mbo? Mwah, het mbo leidt op voor de werkelijkheid van nu, ondanks al het geroep dat de werknemer van nu voorbereid moet zijn op de werkelijkheid van over x jaar. Maar zolang niemand echt de toekomst kan voorspellen, lijkt het me handiger de focus niet te ver weg te leggen. Ook wat de maakbaarheid is v.r. nog beperkt, althans als je zelf aan de slag wilt gaan als docent. Dat geldt niet voor a.r. Een paar jaar geleden was Layar de belangrijkste app op dit gebied, zelfs het clubblad van de ANWB had pagina’s die extra informatie leverden als je ze scande. Layar bestaat nog, maar ik ben aan de gang gegaan met Blippar. Blippar kent de Blippbuilder, waarmee je op je pc Blipps bouwt en de app waarmee je de Blipps scant.

Bij Blippar moet je een account aanvragen en kun je dus niet aanmaken. Het gratis account is, voor zover mij bekend, slechts 12 maanden geldig. Daarna ben je dus je spullen kwijt als je niet betaalt.
Continue reading

Innovatie of verbetering?

Al een tijdje worstel ik met de termen innovatie en verbetering en dan met name in relatie tot onderwijs. Wanneer is iets nou een innovatie en wanneer een verbetering? En is een innovatie per definitie een verbetering? Ik heb de indruk dat vaak het begrip innovatie gebruikt wordt voor slechts een verandering waar niets nieuws aan is. Maar er het etiket innovatief op plakken, genereert aandacht, suggereert dat je iets geweldigs gedaan hebt, maar is eigenlijk overschreeuwen.

Van Dale (12e ed..) er maar eens op nageslagen. Innovatie: invoering van iets nieuws, nieuwigheid. Verbeteren: beter maken, de kwaliteit of bruikbaarheid verhogen van -. Dat betekent dus dat een innovatie waar geen enkel nut of voordeel aan te verbinden valt, geen verbetering is. Een van de elementen van innovatie is het begrip nieuw, maar nieuw voor wie? Voor de gebruiker of voor de mensheid? Uitvindingen kun je innovatief noemen, omdat het uitgevondene daarvoor nog niet bestond. Maar veel uitvindingen waren geen verbetering voor iets en zijn een stille dood gestorven.

Innovatie is context gebonden

Kahoot! voor de eerste keer in je onderwijs gebruiken, is dat innovatief? Misschien wel als je de eerste bent op je school, maar als je de laatste bent krijg je een ander stempel. En hoe innovatief is Kahoot! zelf? Dit soort programma’s bestonden al en wat Kahoot! gedaan heeft, is het uiterlijk wat aantrekkelijker maken en wat specifieke wedstrijdelementen toevoegen. Het heeft van de bestaande programma’s de kwaliteit verhoogd en daardoor verbeterd.

Vanwaar deze uitgebreide overweging?

Continue reading

Pre-conferenties

Dit jaar kennen we bij de CVI-onderwijsconferentie het verschijnsel van diverse pre-conferenties. Ze lijken mij een variant van de verdiepingssessies uit het verleden. De naam suggereert dat ze aan de echte conferentie vooraf gaan. Maar, daar waar de echte conferentie voor iedere inschrijver toegankelijk is, zijn aan vier van de zeven pre-conferenties toegangsvoorwaarden verbonden (los van de capaciteitsvoorwaarde). Eentje vraagt zelfs geld. Eigenlijk zijn het besloten bijeenkomsten. En als ik me de deelnemers van de voorgaande conferenties voor de geest haal, dan zijn die voor het grootste deel boven de 35, geen lid van een studentenraad en al helemaal geen lid van een cvb. Ik behoor zelf ook tot die meerderheid. Ergo: het grootste deel van de conferentiedeelnemers heeft geen toegang tot meer dan 50% van de pre-conferenties of moet er extra voor betalen. De spoeling wordt daardoor wel heel erg dun. Kan dat de bedoeling zijn?

CVI 2016, een nuchtere conferentie?

Binnenkort in het Martini-theater in Groningen: de conferentie voor onderwijsvernieuwing en ict. Het motto van de conferentie wijst op een combinatie van Rotterdamse en Groningse Fladderaknuchterheid, vermengd met Bossche gezelligheid en ontdaan van Amsterdamse bluf en Haagse kak. Het schept de verwachting van reële toekomstperspectieven, haalbare verbeteringen, eerlijke verslaglegging van waar het niet goed ging en geen hemelbestormende ideeën. Alles gericht op verbetering en misschien hier en daar een pietsie vernieuwing. Hopelijk een ijkpunt voor het mbo op de middellange termijn. Nuchterheid lijkt mij dus het devies. Of mijn verwachting uitkomt, zal op de conferentie blijken. Voorafgaand ga ik het programma aan de hand van het dynamische programmaoverzicht proberen te toetsen aan de ‘criteria’ die ik hiervoor benoemd heb.

 

Terug naar school

Twitter heeft mij al op vele plaatsen gebracht waar ik anders nooit was gekomen en me mensen laten ontmoeten die ik anders waarschijnlijk nooit had ontmoet. Dit keer was het Bolnes, een stukje Ridderkerk dat vroeger bekend was van de scheepswerven aan de Nieuwe Maas.  En Twitter bracht me naar een instituut waar ik al meer dan 30 jaar geen voet meer gezet had: een basisschool. Het contact met Karin, de directeur, was ook via Twitter gegaan en zij nodigde me op een keer uit om maar eens te komen kijken hoe het er tegenwoordig aan toe kan gaan op zo’n school.
In zo’n 1,5 uur doorliepen we de school en bezochten alle groepen, de een wat langer dan de andere. De school hanteert het concept van ontwikkelingsgericht onderwijs, waarbij een van de doelen is de kinderen een onderzoekende houding aan te kweken. Bij de eerste groep die we bezochten, de kleuters, werd dat direct duidelijk. Het thema waar ze mee bezig waren was groenten. Er was een groentewinkel, echte en getekende groenten, boodschappenlijsten, etc. In een hoek met een miniatuur wasbak/aanrecht waren een paar kinderen bezig met een pan water waarin ze rauwe groenten deden en fiks roerden. Doel was een soep, een potage froid dan, want er was geen vuur. Ik kreeg door een van de kinderen ook een beker koffie (=water)  aangeboden, allemaal in het kader van eten en drinken. En even was ik weer het kind dat ik zelf ooit was en zuchtte onder de tucht van een non. Maar hier liep  tussen al het doelmatige gekrioel de juf, eerst onverstoorbaar een paar kinderen helpend bij het digibord, daarna met een paar andere boodschappenlijstjes opstellend. Zo gingen we van groep naar groep.
Continue reading