De zorg om het mbo

Deze week wordt het Van Bijsterveldt bedenksel ‘Focus op vakmanschap’ in de Kamer besproken. Gisteren schreef mijn cvb-voorzitter een opiniërend stuk in de Volkskrant, vandaag gingen Margreet de Vries van de Stichting Lezen & Schrijven en Alexander Rinnooy Kan daar nog eens overheen. Alle drie maken ze zich zorgen om het mbo en alle drie gaat het o.a. om het reken- en taalniveau. Leonard Geluk stelt terecht dat het in het mbo gaat om het opleiden van vakmensen, rekenen en taal zijn daar onderdeel van. Wel belangrijk, maar niet meer dan dat. De Vries, Rinnooy Kan en Van Bijsterveldt stellen het voorwaardelijk: zonder een bepaald reken- en taalniveau kun je geen goed vakman zijn. In het mbo is 20-30% laaggeletterd schrijven De Vries en Rinnooy Kan. Maar de vraag hoe dat komt stellen ze niet. Maar om het mbo nu op te laten draaien voor alles wat er in het voortraject mis is gegaan, is in mijn ogen irreëel. Het falen wordt nu afgewenteld op de leerlingen. De extra tijdsinvestering die het zal kosten om de leerlingen op niveau te krijgen, zal die veeleisende overheid zeker niet bekostigen. Die zal uit de uren vakleer gehaald moeten worden. Dat betekent, zeker voor bbl-opleidingen, dat we daar zijn waar Leonard Geluk voor waarschuwt: een aftreksel van het havo zonder noemenswaardige tijd voor vakonderwijs. En de guillotine van de kwalificerende toetsing gaat zijn werk doen, de selectie vindt nu al plaats. Zoals het in het revolutionaire Frankrijk niet uitmaakte of je een goed mens was, je kop ging eraf omdat je van adel was. Straks is het ook zo: het maakt niet uit of je een goede vakman of vakvrouw bent, als je niet voldoet aan de eisen van rekenen en/of taal, je kop gaat er ook af. En in plaats van dat het bedrijfsleven en de samenleving erop vooruitgaan, leveren we alleen maar meer ongediplomeerden af. Over contraproductieve productie gesproken. En het meest schrijnende vind ik dat aan de mannen en vrouwen die de leerlingen tot het geëiste niveau op moeten leiden geen eisen op dit gebied gesteld worden. In concreto betekent het dat aan een niv 2 leerling hogere eisen gesteld worden dan aan de docent die voor een niv 4 opleiding staat. Daar zou ik me nou zorgen om maken.

NT in het mbo: weerbarstiger dan je denkt!

taalniveau.jpg

Deze week een spetterende workshop gevolgd over het gebruik van de CEF standaarden in het mbo. Voor wie het niet weet: CEF staat voor Common European Framework of Reference for Languages en wordt ook wel ERK, Europees Referentiekader, genoemd. Het gaat dus over het talenonderwijs, zowel mvt als NT. Franke Teunisse van Bureau ICE (nee, ik heb geen aandelen en wordt voor deze vermelding ook niet betaald) heeft in ieder geval mij bijgebracht waar die taalniveaus, a1 t/m c2, nu wel voor staan. Maar, veel belangrijker: ik werd op niet zachtzinnige wijze geconfronteerd met het verschil in taalniveau van mijn lesmateriaal, en waarschijnlijk ook mijn spreken, en het niveau dat mijn gemiddelde cursist heeft. Redelijk schokkend. Het heeft mij een paar dingen geleerd. Ten eerste dat ik na zoveel jaar onderwijs op dit gebied dus gewoon weer opnieuw kan beginnen. Ten tweede dat iedereen die roept dat je het beste NT en mvt zo volledig mogelijk moet integreren in de ‘vakleer’ niet weet waar hij over praat. Taalonderwijs vereist op nogal wat onderdelen behoorlijk wat vakkennis die bij de gemiddelde beroepsvakken docent absoluut niet aanwezig is. Ten derde dat de eisen die nu aan het mbo gesteld worden niet haalbaar zijn binnen de bestaande formatie, zo ze al haalbaar zijn (zie mijn eerdere post hierover). Wie gaat dat betalen?

Bij de workshop waren, behoudens mijzelf, geen vakdocenten aanwezig. Ondanks die kreet van integreren. Ze weten echt niet waar ze over praten.