Startbekwame docenten

Woensdag was ik op de Hogeschool Utrecht om als veldassessor samen met een collega van de Hogeschool te beoordelen of twee kandidaten het predicaat startbekwaam docent waardig waren. Voor de studenten de laatste hobbel om gediplomeerd te worden. De procedure: assessoren krijgen vijf kwartier om portfolio te bestuderen en te overleggen; kandidaat geeft een presentatie van 40 minuten waarin het portfolio toegelicht en uitgediept wordt; na overleg tussen de assessoren volgt er een criteriumgericht interview van 40 minuten, waarna de zaak afgerond wordt met een toelichting op de uiteindelijke beoordeling. Inhoudelijk: de studenten moeten aantonen dat zij voldoen aan de eisen van de zeven beroepscompetenties van de wet BIO. Ik was onder de indruk van wat ik te zien en te horen kreeg. Alhoewel er een duidelijk verschil was tussen het ochtend en het middag assessment (afgenomen met een verschillende collega), waren de studenten prima in staat hun keuzes toe te lichten en te verantwoorden. In beide gevallen ging het over het vak wat ze hebben, docent zijn. Het vak dat ze gaan geven kwam nauwelijks ter sprake. En zo hoort het ook. Toen mijn co-assessor na een cgi aan mij vroeg wat ik er van vond, antwoordde ik: “Ik vond het een gesprek op collegiaal niveau. Het was een gesprek dat ik met veel van mijn collega’s op school niet meer kan voeren. Het ging over onderwijs en leerlingen en welke drijfveren ze heeft om er mee aan de slag te gaan.” Ik heb de opmerking ‘gesprek op collegiaal niveau’ op het beoordelingsformulier laten zetten. Het was een genot om te zien dat er nog wel startende leraren zijn die op een Hbo-niveau opgeleid zijn en kunnen functioneren. Leraren die hun onderwijskundige en pedagogische rol erkennen en ook snappen. En hun toekomstige leerlingen mogen blij zijn dat ze hen voor hun neus krijgen.