Lerarencongres 2014: ‘LeerKracht, van goed naar geweldig’

Een enthousiaste Jesper Ahsmann ging los op zijn ervaringen met leerKracht in zijn eigen organisatie. Hopelijk volgt hij niet dezelfde strategie tijdens zijn lessen. Wat leerKracht nou precies is, bleef namelijk lang voor mij verborgen. Als een soort beeldhouwer bijtelde hij steeds meer ruwe steen weg en werden de contouren van het concept leerKracht ook voor mij wat helderder. Het blijkt een methode te zijn, uitgedragen door de stichting leerKracht, waarmee leraren gezamenlijk doelen proberen te bereiken en daarmee verbeteringen.
Een groep leraren die eenzelfde doel willen bereiken formeren een team en gaan van start. Tijdens een bordsessie (schoolbord) wordt het doel geformuleerd en in wekelijkse sessies wordt de voortgang bijgehouden. Vb: binnen een sectie wil men x% van de lestijd gedifferentieerd aanbieden. Acties worden geformuleerd en afspraken gemaakt die binnen een tijdsbestek gerealiseerd moeten worden. Onderdeel van de acties is dat leraren bij elkaar in de les kijken, gezamenlijk lessen voorbereiden en met elkaar in gesprek gaan om tot verbeteringen te komen. Alles ligt vast op het altijd aanwezige bord, confronterend.

leerkracht

 

Effecten die optreden zijn o.a. een groter wordende betrokkenheid van docenten bij de verbetering van de uitvoering van hun onderwijs, mensen krijgen de gelegenheid te laten zien waar ze goed in zijn en om hun passie te belijden. Teams kunnen multidisciplinair samengesteld worden, maar ook binnen een vaksectie geformeerd worden. De coach begeleidt een groep gedurende de startfase, zo’n 9 weken, daarna moet de groep in staat zijn zelfstandig door te werken.  Zowel in po, vo als mbo draaien groepen volgens dit concept. Verbeteringen vinden op deze manier door de werkvloer maar ook op initiatief van de werkvloer plaats. Een mooie en succesvolle invulling van de professionele ruimte.

Ik vind het een mooi voorbeeld van hoe een school weer een lerende organisatie kan worden, wat leidt tot verbeteringen, hoe klein dan soms ook.

Lerarencongres 2014: ‘De leraar: professional of instrument?’

Gisteren heb ik het Lerarencongres van de Onderwijscoöperatie bezocht. Het Koning Willem I college had gastvrij ruimte ter beschikking gesteld, een mooie locatie. Er was geen centrale kick-off, we werden in de eerste ronde welkom geheten door een ambassadeur van de Onderwijscoöperatie.

De titel ‘De leraar: professional of instrument?’ was voor mij prikkelend genoeg om er de eerste ronde mee te vullen. Hans de Bruin hield een boeiend verhaal over de voortgang van zijn promotie onderzoek. Onder andere aan de hand van casussen onderzoekt hij hoe bestuurders omgaan met professionalisering en de professionele ruimte van docenten en wat directies en docenten daar vervolgens van vinden. Zijn onderzoeksgebied is het basisonderwijs, maar hij liet doorschemeren dat een aantal bevindingen ook van toepassing is op andere onderwijssoorten. Een paar vragen waarmee alle partijen geconfronteerd werden:

  • In hoeverre wordt er gebruik gemaakt van communities of practice (=de onderwijsteams, vaksecties e.d.) ?
  • Speelt gespreid leiderschap, kort gezegd de deskundige binnen een team, een rol bij het gebruik van de professionele ruimte?

Het onderzoek heeft een paar tussentijdse resultaten opgeleverd:

  • besturen van schoolorganisaties hebben een beperkt zicht op het professionele niveau van het personeel;
  • de individuele leraar die extra kennis en kunde in huis heeft (en daarmee als gespreid leider kan fungeren), is als subject niet in beeld;
  • gebrek aan tijd en geld voor professionalisering van leraren wordt als een grote belemmering gezien;
  • een belemmering voor professionalisering is ook het gebrek aan een lerende cultuur in de organisatie en het gebrek aan draagvlak bij leraren.

Van dat laatste schrik je dan als leraar in het publiek. Tijdens het onderzoek zijn inmiddels ook nieuwe vragen ontstaan:

  • Wat betekenen keuzes van het bestuur voor de positie van de leraar en de professionele ruimte van de leraar?
  • Is er sprake van teamontwikkeling in de scholen en hoe wordt kennis gedeeld in het schoolteam en de gehele schoolorganisatie?

Uit het feit dat de tweede vraag gesteld wordt, leid ik af dat het daar waarschijnlijk behoorlijk aan schort. Het is een vraag die het lerend vermogen van een schoolorganisatie aan de orde stelt, vreemd dat veel scholen niet in staat zijn tot wat zij anderen opleggen.

Na afloop moest ik denken aan de presentatie die Olaf McDaniel in 2010 gaf op de CVI-conferentie. Ook daar was de professionele ruimte van de docent onderwerp van onderzoek. Als ik mijn verslag teruglees, heb ik het idee dat we in die 4,5 jaar niet veel opgeschoten zijn.

De afvullijn van de professionaliseringsindustrie in het onderwijs

Deze week kreeg ik de uitnodiging voor een studiedag van ons college. Het onderwerp van de dag is loopbaanbegeleiding. Als ik ga tellen, dan is het de vijfde of zesde studiedag in successie die over loopbaanbegeleiding of begeleiding in het algemeen gaat. Blijkbaar doen we dat heel slecht. Alleen vraag ik me af op grond waarvan dat vastgesteld is. Of blijkbaar is er veel vraag naar. Maar aan mij is in ieder geval niets gevraagd. En bij navraag, bij vele anderen ook niet.

De kritiek op het huidige onderwijs is onder andere gericht op de inrichting volgens de principes die dateren uit het begin van de 19e eeuw. Onder invloed van de industriële revolutie is er gestreefd naar efficiency, gericht op het zo uniform mogelijk opleiden en vormen van leerlingen. De roep van de Verlichtingspedagogen om de ontwikkeling van een kind aan te laten sluiten bij zijn mogelijkheden, is eigenlijk nooit in praktijk gebracht. Pas nu, onder invloed van de technologische mogelijkheden en druk vanuit de samenleving, klinken deze opvattingen weer.

Maar, vraag ik mij af, waarom blijven we de docentprofessionalisering wel nog steeds op een industriële manier inrichten? Ik bevind mij toch op een ander punt in mijn carrière dan anderen? Ik werk toch met andere leerlingen dan collega’s in de reguliere trajecten? Ik heb toch andere ervaringen, opleidingen dan anderen? Ik heb toch behoefte aan andere scholing dan mijn directe collega? Waarom wordt professionalisering vaak uitgevoerd alsof het een frisdrankfabriek is: een stel petflessen die op de lopende band volgestort wordt met dezelfde vloeistof? Of moet er soms voldaan worden aan het professionaliseringsgebod: Gij zult afgevuld worden met de door ons bepaalde substantie! De beheersbare proceslijn in optima forma en ook nog makkelijk ergens te registreren. En, er kan dan ook weer een vinkje gezet worden bij een van de managementafspraken: er is geprofessionaliseerd.

De vorige studiedag stond in het teken van kennisuitwisseling, een prachtig concept dat vaker binnen ons roc gebruikt wordt. Blijkbaar was er binnen ons college geen kennis te vinden die uitgewisseld kon worden, want we werden weer in twee workshops gestopt. Er is altijd wel een bureautje te vinden die dat klusje voor je opknapt. Jammer voor mij dat het om workshops ging die ikzelf ook geef. Maakt niet uit, dzjing! de vink kon weer gezet worden.

Maar ik wil niet meer naar bijeenkomsten waar ik bijna niets leer en die obligaat  besloten worden met het heffen van het glas, het doen van etc. Ik wil leren hoe ik mijn onderwijs vorm en inhoud kan geven, zodat het voldoet aan de eisen van de 21e eeuw. Ik wil weten welke vergezichten er zijn op onze samenleving over 5 à 10 jaar, zodat ik daarover met mijn leerlingen in gesprek kan gaan. Voor die samenleving leid ik hen namelijk op. Ik wil de mogelijkheid hebben om aan mijn eigen taakstelling van minimaal drie presentaties per jaar geven toe te komen, een activiteit waar ik veel van leer. Ik wil naar bijeenkomsten waar ik o.a. mensen uit het po en vo ontmoet, om kennis en ervaringen uit te wisselen. Ik wil erkenning voor het feit dat ik wekelijks 1 uur scholing in mijn twr schrijf voor het lezen van weblogs en informatie die ik via Twitter aangereikt krijg. Ik wil scholingsruimte om verbeteringen binnen mijn onderwijs te kunnen realiseren, daar heb ik onderzoeks- en experimenteertijd voor nodig. Maar ik ben opgehouden te willen in een lerende organisatie te werken.

Een goede leraar ben je nooit in mijn ogen, je bent altijd op weg er een te worden. En daar is o.a. professionalisering voor nodig, toegesneden op eigen mogelijkheden en wensen. Afgevulde petflessen horen in het schap in de supermarkt.