Nienburg: Naar huis!

Ik loop nog een keer door het centrum van Nienburg, bezoek het museum om de collectie te bekijken. Daar was ik niet aan toegekomen na het gesprek met dhr. Ommen. Ik vind het bizar dat de tijdelijke tentoonstelling over het Joodse leven in de regio tot aan WO II gaat. Waarom vind ik het bizar? Mogen  Duitsers daar geen tentoonstelling over maken? Het wordt in ieder geval heel integer uitgevoerd.
Bij het wegrijden probeer ik me voor te stellen hoe de mensen van de Rode Kruis colonne dat ervaren hebben. Blij dat ze de ellende achter zich konden laten? Blij dat ze veel mensen weer zicht op een thuis hadden geboden? Ik ben in mijn leven op talloze plaatsen geweest waar ik niet meer terug zal komen, maar nu voelt het toch anders. Maar ik kan er de vinger niet op leggen. Bij mijn moeder speelden in ieder geval ook praktische overwegingen:
“Dinsdag was de dag van vertrek weer naar Holland. Van één kant speet het me wel, maar och we waren al langer weg dan oorspronkelijk gezegd was dus we kwamen met verschillende dingen te zitten, vooral kousen schoenen. Blote benen bij een uniform staat helemaal niet.”

Op 18 september 1945 verliet het Rode Kruis transport Nienburg weer. Op de foto het plaatselijke ziekenhuis dat gefunctioneerd had als werkplek voor mijn moeder en als doorgangslocatie voor al die zieken die ze in de omgeving gevonden hadden. De foto ontving ik van dhr. Eilert Ommen, directeur van het plaatselijke museum, die het gebouw identificeerde op een van de foto’s die van een groepje medewerkers gemaakt is. Het gebouw bestaat niet meer.

Bollmann´s Krankenhaus - Marienstraße - Ansicht um 194 =_iso-8859-1_Q_0_-_Verlag_Hermann_Lorch

02 groepsfoto

 

 

 

 

 

 

 

 

Het transport had nog een aantal patiënten bij zich. Reizen was geen pretje:
“Het was koud in de wagen want in die ambulances zitten geen portieren of ramen.”

“We vertrokken dus met Elisabeth, nog een andere baby en een man die z’n beide benen in het gips had. Voor dergelijke mensen is het reizen in zo’n auto één marteling. De wegen in Duitsland zijn ontzettend slecht met diepe kuilen en gaten.”

Op het eerste traject, Nienburg-Burgsteinfurt, zat mijn moeder op een ambulance met een aantal kinderen. En toen sloeg de wagenziekte toe.
“Om + 2 uur vertrokken we. Van Straten en ik kwamen in een auto waar we voor liefst 6 kinderen, allemaal + 2 jaar, te zorgen hadden. In ‘t begin ging alles goed. Na verloop van 2 uur werden er een paar hangerig en slaperig, geen wonder, die kinderen hadden in een paar dagen niet meer behoorlijk geslapen. Het werd mis. De eerste kreeg diarrhé, 2 anderen werden wagenziek. In tijd van een ogenblik was het een vieze beweging in de auto. We reden in colonne dus konden voor iedere keer dat ze aan ‘t overgeven waren onmogelijk stoppen. Op ‘t laatst ving ik ‘t ergste maar op in een handdoek, deed ‘t raampje open en loodste ‘t op die manier. Steeds een enthousiast getoeter van de wagen achter ons, die schik hadden en zeiden: “O, Evi is weer aan de was, kijk er eens wuiven met een zakdoek”. Ik de pé in. Het werd ook te erg. Ongelukkig was ‘t die dag erg warm, dus in de auto haast niet te harden. En de auto schommelde, en die kinderen huilden, braakten …..de zuster werd ziek!!!”

Uiteindelijk werd mijn moeder de volgende dag ‘s avonds laat door twee collega’s bij haar ouderlijk huis afgeleverd:
“Heerlijk weer thuis. De hond die tegen je opspringt. De stoelen waar je lekker in kunt vallen, alles zo welbekend. Het voornaamste vertellen onder ‘t drinken van een kop koffie, verschillende dingen uitpakken en toen gauw onder de wol. Ik sliep tot de volgende morgen 10 uur, zalig in m’n eigen bed met lakens. Het was een leerzame reis voor mij geweest op allerlei gebied. De voornaamste feiten en gebeurtenissen heb ik in dit verslag zo goed mogelijk weergegeven. Een levensles is het tevens geweest. Ik heb gezien hoe ontzettend veel leed er momenteel is, jammergenoeg heb ik ook meegemaakt hoe de mensen moreel achteruit gegaan zijn de laatste jaren. Laten we hopen dat dat weer gauw veranderd.”

Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan. Bij zijn bevrijding uit het kamp had mijn vader, naast de kleding die hij aan had, nog maar één ding: de foto die hij bij het afscheid in 1938 van mijn moeder had gekregen.

1938
1938
1945
1945
foto kamp achterzijde
achterzijde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Twee dagen na mijn moeders thuiskomst uit Nienburg schreef mijn vader zijn eerste brief sinds zijn bevrijding uit het kamp in Pakanbaroe. Op papier van het Australian Red Cross en met potlood.

21 september 1945 1e brief uit Pakanbaroe
21 september 1945 1e brief uit Pakanbaroe

En ik vraag mij af hoe iemand na drie jaar kamp zijn eerste brief zo kan eindigen:

“Schrijf zoo spoedig mogelijk hoe het met jullie gezondheid is. Ook over de toestand in Holland in verband met mijn eventuele toekomstplannen. Veel groeten van Henny”

In de brief refereert hij aan Jan, zijn broer, die in 1939 als missionaris naar Nieuw Guinea ging. Hij wist toen nog niet dat deze, op de vlucht voor de Japanners, in 1943 verdronken was. Ook van het lot van Ferry, zijn Hilversumse jeugdvriend met wie hij samen naar de Oost ging, was  hij nog niet op de hoogte.
Maar bevrijd wil nog niet zeggen dat je thuis bent. Na verplaatst te zijn naar de Oranjeschool in Medan duurde het tot maart 1946 voor hij aan boord ging van de Tsjisadane voor de thuisreis. Op 12 maart stuurt hij een telegram aan zijn verloofde:

Telegram 12 maart 1946
Telegram 12 maart 1946
Krantenbericht maart 1946
Krantenbericht maart 1946
Passagierslijst
Deel passagierslijst Tsjisadane

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op 1 april zette hij in Amsterdam weer voet op Nederlandse bodem. (Volgens deze bron kwam het schip pas op 3 april in IJmuiden aan.) Na 7 jaar en 3 maanden zagen Henny en Evi elkaar weer.

Ter gelegenheid van zijn thuiskomst werd een gezellig samenzijn georganiseerd, waar ook liedjes gezongen werden met speciaal gemaakte teksten (een veel toegepast concept in beide families). Hier twee voorbeelden. Het eerste beschrijft de aankomst in IJmuiden, maar hij mag daar nog niet van boord. Het tweede verhaalt het Indisch avontuur.

Lied IJmuiden

Lied Indië

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik verbaas me over de vrolijkheid en haast nostalgische toon waarop er over het recente verleden gesproken en gezongen wordt.

Op 29 oktober 1946, zes jaar later dan gepland, trouwden mijn ouders, een huwelijk dat tot 1990 duurde toen mijn vader overleed.

Trouwfoto klein

 

 

Nienburg : Zij die niet mee terug mochten

Het doel van de missie was, het is al eerder gememoreerd, zoveel mogelijk Nederlanders repatriëren. Maar dat betekende niet dat iedere Nederlander die ze tegenkwamen ook daadwerkelijk meeging. Zo direct na de oorlog was er duidelijk een verschil tussen goed en fout.
Dr. Schepel vermeldt in zijn verslag van 4 september:

Verslag 4 september 1945
Verslag 4 september 1945

Op hun verschillende tochten door het gebied, treffen de Rode Kruis medewerkers Nederlanders aan die inderdaad niet terug kunnen. In een doorgangslager in Hannover:
Doorgangslager. Internationaal, Polen, Fransen, Belgen, Hollanders, doch bleken politiek niet goed te zijn. We bespaarden ons dus de moeite alles te noteren, want zulke lui komen toch niet over de grens.”

In het volgende citaat wordt iets zichtbaar van hoe mensen die met de Duitsers samengewerkt hadden over hun eigen positie dachten. Het gebeurt als men in Lünenburg op zoek is naar Nederlanders.
“Ik trof daar ook een Holl. meisje, die bij het Duitse Rode Kruis gegaan was. Ze dacht dat er voor haar geen gevaar meer was om vast gezet te worden omdat ze ook Engelsen en Amerikanen verpleegd had. Zou ze wel willen!”

En in Lübeck:
“In Lübeck trof ik nog een meisje uit A’dam, die getrouwd was met een mof en natuurlijk een kind had. Ze vroeg mij, of ik haar ouders wilde berichten dat ze het goed maakte en gaf me een kaart.”

De kaart is in het dagboek bewaard gebleven, ik vermoed dat mijn moeder nooit naar de betreffende ouders is geweest.

Kaart achterzijdeKaart voorzijde

 

 

 

 

 

 

 

 

Politieke gezindheid was dus duidelijk een item, zoals ook uit het volgende fragment blijkt. En een kind van een Duitser is blijkbaar geen obstakel, wellicht dat de ongetrouwde status van het meisje haar ‘gered’ heeft.
“Wéer een plaatsje, wéer een ziekenhuis. Ja, hier zaten Hollanders. Het was een jongen uit Texel die direct met z’n papieren voor de dag kwam, dat hij politiek heus goed was. Verder nog 2 meisjes, 1 was bij ‘t Rode Kruis geweest, had een arm verloren en wilde nog niet terug naar Holland. Nou dan blijf je, doodgewoon. Het 2e was ‘verloofd’ geweest met een mof en had in de gauwigheid toch maar een kind gekregen. Ze wilde graag naar Holland dus met die buit trokken we uit de mooie Harz weg naar Nienburg.”

Op de terugweg naar Nederland doet de colonne weer Burgsteinfurt aan. Ook daar speelt zich het tafereel van het scheiden van goeden en fouten af:
“‘s Avonds zijn we naar het stationnetje gegaan waar een trein met gerepatrieerden aankwam. Heel interessant dat mee te maken. De Hollanders moesten naar een tentenkamp om te overnachten. Daar blijven ze tot ze allemaal getest zijn door een paar officieren. … ‘s Morgens werden de gerepatrieerden getest, waar wij graag eens bij wilden zijn. Toch ook wel eens makkelijk een uniform te dragen je komt overal in. Het leukste was, wanneer bleek dat het N.S.B.ers waren, dan moesten ze apart gaan staan, hadden ze er een stel, dan met een Tommy mee, achter ‘t prikkeldraad, in een tent, zonder vloerbedekking of iets.”

Goed of fout, het houdt onze samenleving 68 jaar na dato nog steeds bezig.

Nienburg: Naar Berlijn!

Berlijn hield de gemoederen van het Nienburg transport nogal bezig:

“De stemming onderling was heel goed. natuurlijk vielen er wel eens minder aangename dingen voor, vooral onder de chauffeurs. Het was erg jammer dat we nergens een lokaal hadden waar we ‘s avonds gezellig bij elkaar konden komen. Wij mochten niet in de gebouwen van de mannen komen, de mannen niet bij ons. Wilden we gezellig zitten, moesten we altijd de stad in, naar een of andere bar. Dat ging niet elke avond, want vaak kwam je laat thuis of was erg moe.
Meestal zochten we ons troost dan ook maar in de auto’s. De lichtjes aan, een sigaretje roken en dan de belevenissen van de dag bespreken. Een erg geliefd thema was:…. Berlijn. Toen er eenmaal sprake was, dat er 3 wagens naar Berlijn zouden vertrekken zijn er heel wat woorden gevallen. Niemand wilde er zogenaamd maar o wee als je zei: “Ik heb van de dokter gehoord dat wagen no … meegaat,” commentaar werd er dan gegeven! We hebben er ook wel erg om gelachen. Enige vast uitdrukkingen waren o.a. “laat ik ‘t niet merken,” “stunten”, “organiseren”, “ik zal je oren bij punten”, van wie ‘t kwam hoef je niet te vragen.”

Het dagboek zegt er verder niets over, maar al in de eerste week vertrok er een mini konvooi naar Berlijn. Het officiële verslag bericht er uitgebreid over en dat werpt ook een bijzonder licht op de samenwerking tussen de geallieerden op dat moment. Er moet toestemming komen van de Engelsen om Berlijn te mogen bezoeken. Ondertussen zijn de medewerkers in Nienburg een deel geworden van het Engelse leger.
Verslag Berlijn 5-9

Op de ochtend van vertrek, 5 september, is er een telegram van de Belgische Rode kruis colonne in Berlijn dat de komst van de Nederlanders niet op prijs gesteld wordt. Men gaat toch, maar met één auto met personeel en een particuliere auto van een in Nienburg aanwezige Nederlandse officier. Dr. Schepel, Dr. Verhoeff en Mej. Waage zijn in ieder geval deelnemer. De reis gaat voorspoedig, geen problemen bij Helmstedt, waar de Russen de doorgangsweg naar Berlijn in handen hebben.
Verslag Berlijn 02

Helmstedt
Helmstedt, overgang naar Russische sector

Aangekomen in Berlijn blijkt dat de Engelsen geen toegang hadden tot de Russische zone. De Belgen wel, omdat de leider van de Belgische missie, Mad. Wittouck, een geboren Russische prinses was. De Nederlanders op de Kurfürstendamm 96 op zoek naar deze dame. Op dit zelfde adres was ook de Mission Aerienne Francaise gevestigd.

10 Kurfürstendamm 96
Kurfürstendamm 96

De komst van de Nederlanders wordt duidelijk niet op prijs gesteld, onder andere vanwege legeringsproblemen. En het verslag meldt:
“Bovendien konden de Franschen en Belgen bij de Engelschen niets bereiken.”

De Hollandse zelfredzaamheid bracht uitkomst: een bezoek aan de Quartermaster van H.Q. Berlin Area leverde een verdieping van een gebouw aan de Kurfürstendamm op. Dr. Schepel spreekt expliciet zijn waardering uit over de medewerking die hij van Engelse zijde ondervindt.
De volgende dag wordt de vrede met de Belgische delegatie getekend met een etentje. De bedoeling is dat voor een beperkte periode een Nederlandse delegatie in Berlijn blijft.

Verslag Berlijn 5 september 1945

Uit dit fragment blijkt wel dat de omstandigheden waaronder gewerkt moest worden verre van optimaal waren. Dr. Schepel en Mej. Waage verlieten Berlijn op 7 september voor overleg in Den Haag.

De volgende foto’s (en de twee eerdere in deze post) zijn allemaal in Berlijn gemaakt, ik vermoed door Dr. Schepel.

Brandenburger Tor
Brandenburger Tor

 

Unter den Linden
Unter den Linden

 

Siegessäule
Siegessäule
Tiergarten
Tiergarten

 

 

 

 

 

 

 

 

25
Flatgebouw

29

 

 

 

 

Van deze laatste afbeelding heb ik niet kunnen achterhalen waar die genomen is, mogelijk is het de Rijkskanselarij.

Het blijft opvallend dat mijn moeder in haar verslag verder geen melding maakt van de tocht naar Berlijn, terwijl ze wel de foto’s had en Dr. Schepel en Mej. Waage (waar ze trouwens niet veel mee op had) een week weg geweest waren. Maar misschien kwamen die foto’s pas toen ze al weer terug was in Hilversum.

Nienburg: De tochten

De missie naar Nienburg had maar één doel: zoveel mogelijk Nederlanders repatriëren uit het gebied dat viel onder het bevel van het Engelse 30ste legerkorps. In het gebied waren al Nederlandse verbindingsofficieren voor de repatriëring actief, die een voorlopige inventarisatie gemaakt hadden van waar er mogelijk nog Nederlanders waren. Op basis van die informatie werden er lijsten opgesteld die gebruikt werden bij de diverse speurtochten.
Namenlijst

Het gebied waar de Rode Kruis missie actief was, strekte zich uit van Hamburg tot Kassel. Maar niet iedereen die aangetroffen werd, werd meegenomen. Uit het officiële verslag:

Verslag 4 september 1945

Ook mijn moeder slaakt eenzelfde verzuchting:
“‘s Maandags was de beurt aan Lünenburg onder leiding van Dr. Verhoeff. Bij het Hollandse kamp aangekomen zagen we juist een groep vertrekken. Er lag één patiënt, ‘n Rotterdammer die de hele oorlog in een concentratiekamp gezeten had. Hij was niet vervoerbaar. Dat is het naarste van alles, iemand achter te moeten laten die hunkert om mee te gaan.”

Het bovenstaande gold niet alleen voor de reis naar Lübeck en Lünenburg, maar ook voor andere locaties die bezocht werden. Vaak bleken patiënten al ergens anders naar vervoerd, gewoon vertrokken of overleden te zijn volgens de aantekeningen op de lijsten. Het ziekenhuis in Nienburg fungeerde als verzamelplaats van alle zieken die aangetroffen werden. Als er voldoende waren, werden ze naar Burgsteinfurt getransporteerd, waar ze overgenomen werden door Rode Kruis medewerkers uit Enschede. Van daaruit werden ze dan verder begeleid naar hun woonplaats.

Het dagboek gaat wat uitgebreider in op het bezoek aan Hamburg:
“M’n volgende reis was naar Hamburg. Het was meer een verkennings en informatie toch. Patienten hebben we van daaruit niet meegenomen. De stad ziet er vreselijk uit. Hele delen bestaan niet meer. Verschillende wijken zijn dichtgemetseld. Kom je bij een platgebombardeerd gedeelte, dan stinkt het er echt naar lijken die nog onder het puin liggen. Toch is in Hamburg meer leven als in Hannover. De mensen wonen in kelders, merendeels nog onder het puin. Voral ‘s avonds is het een troosteloos gezicht, alles donker met zo nu en dan een lichtje in de diepte. Een gevoel van medelijden kwam dan onwillekeurig bij mij op, toch heb ik mij daar tegen verzet. Op slot van rekening wonen hier de mensen ook in kippenhokken en kapotte huizen, dat heb ik in Limburg wel gezien.”

Hamburg, september 1945
Hamburg, september 1945

Het laatste uitstapje van de missie maakte mijn moeder samen met de leider van het transport Dr. Schepel en een chauffeur. Het doel was de Harz en omgeving. De trip wordt redelijk uitvoerig beschreven in het dagboek, waarschijnlijk omdat achteraf bleek dat de tocht een ontspannend tintje had gekregen.
“‘s Maandags gingen Dr. Schepel en ik op wagen no 7 met Freek als chauffeur naar het Harzgebergte. Het was + 8½ toen we startten. Het weer was bijzonder mooi en ik had dan ook een geweldige zin. Tot Hannover reden we samen met nog 2 wagens die naar Kassel moesten. In Hannover wensten we elkaar een “goede reis en veel succes” en ieder ging zijn eigen weg. Door het kapotte Hannover, wat steeds opnieuw weer een troosteloze aanblik is, gingen we naar Hildesheim. Wat ziet dat er ook uit!”

Omdat de reis zoveel aandacht krijgt in het dagboek, heb ik dit stuk ook gedaan. Hildesheim blijkt ook een welvarende provinciestad te zijn, die geen zichtbare sporen meer draagt van de oorlog. Toch zag de Andreaskirche op het moment dat de Rode Kruis medewerkers er waren zo uit:

Hildesheim, Andreaskirche na bombardement van 22 maart 1945
Hildesheim, Andreaskirche na bombardement van 22 maart 1945
Andreaskirche 22 augustus 2013

 

 

 

 

 

 

 

 

En als je de foto’s (inclusief filmbeelden) bekijkt op deze site over het bombardement van 22 maart 1945, dan weet je wat mijn moeder bedoelde toen ze verzuchtte: “Wat ziet dat er ook uit!” Of, zoals de heer Eilert Ommen, directeur van het museum in Nienburg, mij zei tijdens ons gesprek: “Viele Städte waren ganz kaput.”

De reis gaat verder en dan het moment van ontspanning, even alle ellende vergeten:
“We kwamen door verschillende kleine plaatsjes en gingen daar de hospitalen binnen. Geen Hollanders meer aanwezig. De namen die we bij ons hadden klopten precies doch waren reeds afgevoerd. Steeds hoger kwamen we, steeds prachtiger werd het. Dr. Schepel, die tamelijk goed bekend was in de Harz, wees me steeds op nieuwe dingen. En ondertussen stegen we maar. Een kinderlijk plezier hadden we, om naar beneden te kijken hoe “hoog” we nu al waren. We floten en zongen dat het een lust was. Het was geen dokter met verpleegster die op de auto zaten, maar een jongen en meisje die uitgelaten waren omdat ze nu eens één dag niet de ergste narigheid waren. Holland was zo ver die dag, ik dacht er haast niet aan.We kwamen in de omgeving van de “Brocken” de hoogste berg van de Harz. Als we meer tijd gehad hadden, dan waren we er wel op gegaan maar “no time”. Heel typisch en mooi waren de meren die steeds, op een moment dat je ze heel niet verwachtte tevoorschijn kwamen. Het is heel moeilijk te beschrijven, ‘t meest leken ze op sawa’hs ook zo aflopend. Wéer een plaatsje, wéer een ziekenhuis. … Onderweg zijn dokter en ik nog uitgestapt om te kijken naar een waterval die van een ongelooflijke hoogte kwam. Ik kon van dat alles niet genoeg krijgen.  ‘s Avonds om + 10½ uur kwamen we pas thuis, doodmoe en roetzwart maar uiterst voldaan.”

De waterval waar over gesproken wordt is de Radau-wasserfall bij Bad Harzburg, aan het begin van de Brocken.

Radau-wasserfall bij Bad Harzburg
Radau-wasserfall bij Bad Harzburg

Mijn moeder zal waarschijnlijk nooit geweten hebben dat het om een kunstmatig aangelegde waterval gaat.

Nienburg: Het verblijf

Over het verblijf in Nienburg valt niet veel te verhalen, in het dagboek komt het beperkt ter sprake, in het officiële verslag helemaal niet.     DSC01687

 Nienburg is een welvarend stadje, je ziet het
aan de staat van onderhoud van de gebouwen
en het ontbreken van leegstaande panden.
En er is zelfs iets wat wij niet meer hebben.

marktplaats

Nienburg heeft in de oorlog nauwelijks te lijden gehad,
geen bombardementen, op een verdwaalde bom na.
Rond de kerk zijn de vakwerkhuizen nog te zien.

 

 

In 1945 was het verblijf improviseren, zoals alles in een land dat voor een groot deel in puin lag. Slapen en eten gebeurde in aparte vrouwen en mannen kazernes, alle nationaliteiten door elkaar. Ook bij het vertier was het improviseren geblazen, maar dan vooral door het gebrek aan mogelijkheden:

‘s Avonds gingen we de stad verkennen, wat erg tegenviel. Niets te beleven enkel een beer-bar, tea-bar, 2 bioscopen en 1 dancing”.

Toch werd er besloten naar de enige  dancing te gaan. Maar dat bleek geen succes:

“Om + 8 uur waren we thuis, konden dus nog niet uit gaan. De afspraak was dat we naar de dancing zouden gaan. Konden hem nergens vinden en schoten 2 Duitsers aan. We lieten ze meerijden. Die tocht zal ik nooit meer vergeten. Donker en lang, kilometers ver. In m’n gedachte zag ik ons al overvallen door een stel bandieten. Eindelijk was de “dancing” in zicht. Schrik niet, als je uitstapt en met je neus voor een stuk oude boerendeel staat. Het publiek was beneden peil, militairen met een stelletje meiden, die in het openbaar nog niet eens hun fatsoen hielden. Wij weg!”

Het dagboek verhaalt nog over twee gebeurtenissen die tijdens het verblijf in Nienburg voorvielen. Evi had bij het begin van de reis al een iets zwerende vinger, wat steeds erger werd. Daar moest iets aan gedaan worden vonden de begeleidende doktoren. In het volgende stuk zijn met name de anesthesie en de recovery opmerkelijk.

“Vrijdags- ‘s middags om half vijf zou het heugelijke feit plaats vinden. Het was me nog nooit gebeurd, dus maakte me heel geen zorgen ergens over. Ik dacht dat het plaatselijk verdoofd zou worden. Aangekomen in de kamer van de dokter, zag ik instrumenten die uitgekookt werden, steriel verband, net echt. Eerst werd de nagel wat losgemaakt, nog steeds was ik doodkalm. Dr. Schepel kwam er ook bij te pas en eindelijk zei Dr. Boerée “nou Evi ga maar liggen op ‘t bed.” ??? Stomverbaasd. “Liggen dokter, wat gaat U doen”? “Ja, we maken je helemaal maar even weg.” Ook best, ik languit liggen op het bed van kapitein Bax. Had ie eens moeten weten. Een prop watten met chlorolyne op m’n neus, en tellen maar!! Ik vermoed dat ik door m’n mond nog te veel lucht naar binnen kreeg, in ieder geval, ik kreeg het zo ontzettend benauwd, werkelijk dacht ik, daar ga je. Ik begon te slaan en te schoppen, zodat Dr. Boerée me niet meer baas kon. Ik hoorde zeggen, “hou haar eens stevig vast”. Ik voelde een greep, nog een paar benauwde ogenblikken die mij uren leken, toen zakte ik eindelijk weg.  ………..peuteren, peuteren, trekken!!!, ja en af was ie. Toen ik bij kwam, was alles achter de rug en hoorde zeggen: “Het wordt tijd dat je bij komt, jongedame”. en herinnerde me alles weer. Omdat ik zo zoet geweest was kreeg ik van Dr. Schepel een stukje chocolade en van Dr. Boerée een ulevel. Niet te veel, ik mocht eens misselijk worden.” 

Losse tekening uit het dagboek. Tekenaar onbekend.
Losse tekening uit het dagboek. Tekenaar onbekend.

 

Op de eerste vrije dag die het verplegend personeel had, ze waren inmiddels al twee weken in Duitsland, besloot men om een leuk feestje te gaan bouwen. Een verlovingsfeest zou het worden en Evi was het feestvarken.

“Het was Zondag, de eerste die we vrij waren. Bepaald mooi weer was ‘t niet, druilerig en we verveelden ons dood. Nergens konden we heen. Het hele stel zat in de auto’s te kletsen over allerlei onbenullige dingen. Natuurlijk kwam het gesprek over trouwen. Het bleek dat er van alles maar 4 ongetrouwd waren, 3 mannen en ik. Waarom zouden we Eef niet koppelen aan één van hun? Cheffie een dikke kerel van goed 30 jaar was de uitgezochte. Meteen werden er plannen gesmeed om een verlovingsfeest te vieren. “Vooruit jongens laten we die mop eens hebben, we vervelen ons toch en dit is ‘n mooie afleiding.” Zo gezegd zo gedaan, 2 gingen op pad om etenswaar en drinken bij elkaar te halen, weer anderen zochten bloemen voor ‘n bruidsboeket. Auto’s werden versierd. Het was een pan in één woord. Om 8 uur na het eten zou ‘t feest beginnen. Het mooiste was dat de dokters, Wage, Kak, Bakkie, iedereen geloofde dat ‘t echt waar was.
Ze hadden zelfs gezegd, dat ze ‘s avonds ook even zouden komen. Lachen!
‘s Avonds 8 uur. M’n “verloofde” zat al in de auto te wachten, met de rest van het stel. We hadden ongelooflijke lol. Koffie werd er gezet. Waar ik echter wel tegenop zag, was ‘t bezoek van de dokters. Om die nu voor de gek te houden was m’n bedoeling niet. Daar kwamen ze. Felicitaties nam ik met ‘n glunderend gezicht in ontvangst. Ik had A gezegd en moest nu wel B zeggen. De zweetpareltjes stonden op het laatst echter op m’n voorhoofd. Vooral toen kap. Bax zei, dat hij dit een mooi stukje vond voor z’n dagboek, kreeg ik ‘t aardig benauwd. Eindelijk stapten ze op, doch eerst moest het Wilhelmus gezongen worden. Een prachtgezicht. Die wagens zijn niet zo hoog, dus alle stond met gebogen hoofd, of doorgezakte knieën. Geen gezicht gewoon.”

Evi met 'verloofde'
Evi met ‘verloofde’
De hele groep rond het 'paar'
De hele groep rond het ‘paar’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Anno 2013 is Nienburg een doorsnee stadje. De kinderen gaan er net zo gekleed als bij ons, de smartphone speelt eenzelfde belangrijke rol. En voor de dancing hoef je ook geen enden meer te rijden, in het huidige Nienburg wemelt het van de horeca-gelegenheden.

Nienburg: Traject Den Haag – Nienburg

Een reis nareizen is eenvoudiger gezegd dan gedaan. Welke route is er gereden? En één ding is zeker: de wegen die er tegenwoordig liggen, lagen er voor het grootste deel niet in 1945. Het dagboek somt de steden op: Den Haag, Amersfoort, Enschede, Gronau, Burgsteinfurt, Osnabrück, Nienburg.
Als je de snelwegen kunt volgen, dan gaat het snel. Maar wat was er wel en niet? De site snelwegen.nl brengt uitkomst voor Nederland. In 1945 ligt er alleen een snelweg van Den Haag tot aan Utrecht, de A12. Verder is er nog bijna niks. Vanaf Utrecht ligt er nog de oude weg naar Amersfoort, dat is makkelijk. Maar van Amersfoort naar Enschede? Ik kies er maar voor om de huidige snelweg te nemen, scheelt ook weer tijd. In Enschede neem ik de oude weg naar Gronau en houd deze aan door de dorpjes heen tot aan Steinfurt. Daar is Burgsteinfurt dat in het dagboek en het officiële verslag genoemd wordt. Burgsteinfurt bestaat niet meer als zelfstandig dorp, maar is tegenwoordig onderdeel van Steinfurt.
Uit het officiële rapport:

Uit het rapport
In ’45 konden ze geen benzine tanken in Burgsteinfurt en moesten tanken in Rheine. Dus via Rheine de snelweg op langs Osnabrück tot aan Porta Westfalica. Daar ben ik de provinciale weg langs de Weser op gegaan richting mijn doel: Nienburg. Het is een vreemde gewaarwording, op deze manier rondreizen. Het is niet toeristisch, het is niet zakelijk, het is het overdoen van een reis die 68 jaar geleden gemaakt is. En wat dan dat speciale is kan ik niet benoemen. Ik probeer me onder het rijden voor te stellen hoe het konvooi het beleefd heeft. Het dagboek besteedt er niet veel aandacht aan, het officiële verslag al helemaal niet. Wat blijkbaar wel indruk heeft gemaakt, zijn de enorme verwoestingen die men her en der aantreft. De foto’s spreken boekdelen.

Puinhoop onderweg 01

 

Puinhoop onderweg 03

 

 

 

 

 

 

Nienburg is een vriendelijk provincie stadje aan de Weser. Die Weser valt tegen, maar dat ligt hoogstwaarschijnlijk aan mij als Hollander die brede rivieren gewend is. Nienburg kent een altstad, maar die altstad is alleen nog in het stratenpatroon te herkennen. De gebouwen die er staan zijn allemaal van na WO II lijkt het, maar dat zal ik morgen in het museum wel te horen krijgen. En ook hier bekruipt mij een vervreemdend gevoel: 68 jaar na dato in een stadje te zijn waar het Rode Kruis konvooi gelegerd was en waar mijn moeder deel van uitmaakte. Zou haar die Weser ook zo tegengevallen zijn?

Nienburg: Proloog

Op 18 december 1938 nam de voetbalvereniging Actif uit Hilversum met een feestavond in Hotel Aben afscheid van twee prominente eerste elftalspelers: Ferry Diepenbroek en Henny Laaper (later mijn vader). Ze waren respectievelijk 20 en 23 jaar oud. De crisis van die tijd gaf deze mannen weinig uitzicht op een toekomst, dus hadden zij gekozen voor een dienstverband bij de luchtvaartafdeling van het KNIL als monteur. Op dat moment had Henny verkering met Eva Sikking (later mijn moeder), roepnaam Evi, die 17 jaar oud was. In het fotoalbum dat zij aanlegde, is een deel aan deze avond gewijd. Op eerste kerstdag werd er afscheid genomen in familiekring. Eind december zaten Ferry en Henny op m.s. Kota Gede op weg naar N.O.I. met het vooruitzicht zes jaar later met verlof terug te komen.

Portret staand 1938
1938 bij vertrek

 

Op 6 mei 1940, het was de 19e verjaardag van mijn moeder, verloofden mijn vader en moeder zich met elkaar ‘met de handschoen‘, hij in Batavia, zij in Hilversum. Het plan was dat zij in september naar Indië zou vertrekken om zich bij hem te voegen. Vier dagen later brak de oorlog uit en, zoals ze in haar fotoalbum schreef:

Slot fotoboek
In het midden Henny Laaper

In oktober 1943 ontving mijn grootmoeder het volgende bericht van het Internationale Rode Kruis:

pow verklaring

Later werd hij verplaatst naar Pakanbaroe op Sumatra.
Eind 1945 kwam het bericht van het IRK dat Ferry Diepenbroek  in januari 1944 overleden was door de ontberingen in een Thai Camp, vermoedelijk bij de Birma spoorweg.

Op 23 september 1944 meldde mijn moeder zich aan als vrijwilligster bij het Rode Kruis om te helpen in het noodhospitaal en na de oorlog ingezet te worden bij de repatriëringstransporten. Op 14 augustus 1945 werd zij opgeroepen voor het transport naar Nienburg.

1e pagina
Eerste pagina van het reisverslag

 

In Rode Kruis uniform 1945
In Rode Kruis uniform 1945

Nienburg: de aanleiding

Op zolder, in mijn ouderlijk huis, stond zolang als ik mij kan herinneren een kartonnen doos met daarin foto’s, fotoboeken en allerlei brieven en papieren. Als kind keek ik daar wel eens in, het was het archief van mijn ouders uit de tijd van voor en vlak na hun trouwen. Het enige dat ik wel eens bekeken heb waren de fotoalbums, trouwalbum, album uit de kindertijd van mijn moeder, e.d. Na het overlijden van mijn ouders kwam de doos in mijn bezit, weggooien kon ik niet over mijn hart verkrijgen. In 2011 haalde ik de doos weer eens te voorschijn, omdat ik iets nodig had. Al rommelend pakte ik een boekje, waarvan ik wist dat het een dagboek van mijn moeder was. Eerder heb ik me er nooit toe kunnen zetten het te lezen, vooral vanuit privacy overwegingen. Nu ik het aandachtig bekeek, zag ik dat het een reisverslag was van een Rode Kruis transport waar mijn moeder als verpleegster aan deelgenomen had. Het transport had als doel om vlak na de oorlog Nederlandse zieken en gewonden uit Duitsland op te halen en te repatriëren. Het duurde van 31 augustus tot 19 september 1945 en had als eindbestemming/standplaats Nienburg, een plaats tussen Bremen en Hannover.
Enige tijd later las ik op een forum een oproep van een medewerkster van het Nederlandse Rode Kruis om materiaal aan te leveren voor een gedenkboekje t.g.v. het 145 jarig bestaan in 2012. Uiteindelijk is het Nienburgverhaal daar niet in terecht gekomen. Wat het wel opleverde was contact met de archivaris van het NRK, omdat het boekje met bijbehorende foto’s en andere documenten wel betrekking had op de geschiedenis van het NRK. Zij zou het materiaal graag in de verzameling opnemen. Het leidde tot een bezoek aan het hoofdkantoor in Den Haag, waar zij iets bijzonders voor mij had. In het archief had ze het rapport van het transport, opgesteld door de verantwoordelijke arts, teruggevonden. Nu hadden we een officieel verslag en een persoonlijk verslag over dezelfde gebeurtenis. Al het materiaal overdragen aan de Afdeling Oorlogsnazorg vond ik geen enkel probleem, temeer daar die verzameling op termijn onderdeel uit gaat maken van het NIOD. Maar voordat ik dat zou doen, wilde ik eerst de reis zelf(voor een deel) maken. En ik wist dat ik de kartonnen doos verder door moest spitten op nog meer interessant materiaal. En dat vond ik.

Eenmaal het besluit genomen hebbende om naar Nienburg te gaan, vroeg ik me af wat ik

Wapen Nienburg
Wapen Nienburg

daar wilde gaan doen. De situatie van 1945 zou ik daar zeker niet aantreffen. Uit de informatie die ik op het internet vond, kreeg ik de indruk dat het een doodgewoon provinciestadje is, gelegen aan de Weser. En het heeft een museum over de geschiedenis van de regio. Dat zou een aanknopingspunt kunnen zijn! Dus contact gezocht met de directeur en aangegeven wat ik eventueel voor hem in de aanbieding had. Direct antwoord dat hij me heel graag wilde ontmoeten en graag het materiaal wilde zien en in digitale vorm ontvangen: “Es ist sehr schön, dass Ihre Mutter ein Tagebuch geführt und auch verschiedene Fotos gemacht hat. Das ist eine gute Dokumentation dieser Zeit. Sehr viele Fotos gibt es ja gar nicht, da man andere Sorgen hatte.” (uit de mail van Museumsleiter Dr. Eilert Ommen). De reis staat gepland voor volgende week. Ik zal er verslag van doen en gebruikmaken van delen van het dagboek en het officiële rapport. Het is geen grande histoire met vele heldendaden en gebeurtenissen met grote impact, maar het belicht een deel van het belangrijke  werk dat het Rode Kruis op de achtergrond verricht.
Het is petite histoire over de verwevenheid van het Rode Kruis met een deel van het leven van mijn ouders.

Envelop 1944
Envelop 1944 (let op bijschrift stempel)