Zo kan onderwijs ook!

In het onderwijstijdschrift Didaktief van maart staat een tweede artikel over de High Tech High in San Diego. Het is onderdeel van een verslag van een studiereis die in het najaar van 2009 door APS International is georganiseerd. De HTH is een bijzondere school, zó bijzonder dat er zelfs een aparte Wikipedia pagina aan gewijd is. Het begin van de school ligt in 1998, toen lokale ondernemers zich afvroegen waarom het lokale onderwijs niet in staat was voldoende gekwalificeerde werknemers op te leveren. Ze namen het heft in eigen hand en openden een nieuwe school: HTH. Aan de school liggen vier ontwerpprincipes ten grondslag:

  • Personalization: kleine gemeenschappen van lerenden; een op een begeleiding voor elke leerling.
  • Adult world connection: leren krijgt pas betekenis als het in de ‘echte’ wereld toegepast wordt; de ‘echte’ wereld wordt middels projecten en opdrachten de school binnen gehaald.
  • Common intellectual mission: er wordt geen onderscheid gemaakt tussen voorbereidend academisch onderwijs of beroepsonderwijs. Alle studenten presenteren hun resultaten, beroepsproducten, die vastgelegd worden in een digitaal portfolio.
  • Teacher as designer: in interdisciplinaire teams worden projecten e.d. voorbereid; de docent als centraal punt in het onderwijsproces.

Er is geen strak omkaderd curriculum, slechts een indicatie van leerinhouden. De school gelooft niet in onmisbare kennis (essential content), wel in hoog opgeleide docenten die weten wat kwalitatief goed onderwijs is. Docenten die in staat zijn voor leerlingen uitdagende situaties te creëren waarin geleerd kan worden. Dat is iets anders dan slaafs een methode volgen en invuloefeningetjes maken over onderwerpen waar je al het nodige van af weet. De borging zit in de kwaliteitseisen waar projecten aan moeten voldoen, de presentaties die leerlingen over hun leerpoducten moeten geven en de innige contacten met de buitenwereld die een waakzaam en dwingend oog houdt op wat er gebeurt. De school is succesvol: heel tevreden leerlingen en hoge percentages doorstroom naar vervolgopleidingen.

De vergelijking met ons mbo dringt zich op. Er staat mij bij dat competentiegericht onderwijs een wens van het bedrijfsleven was. Kwalificatiedossiers kun je nu niet echt knellende kaders noemen, zeker niet in vergelijking met de eindtermen. En de dossiers leggen je geen strobreed in de weg om didactisch ‘los’ te gaan. Het blijft dus vreemd dat dingen hier niet of nauwelijks van de grond komen.
Ik wil eindigen met een citaat van de website: “At High Tech High we believe that if you want to build a good learning environment for students, it must also be a good learning place for adults.” Als Nederlandse docenten zich dat nu ook eens zouden realiseren.

Competentieprofiel van een assessor

Al enige tijd houd ik me bezig met de assessor. In uitvoerende zin door zelf assessments af te nemen, maar ook in ‘theoretische’ zin door na te denken over de rol, positie van de assessor in het onderwijsleerproces. Een tijd geleden hebben collega E. en ik al eens een overzicht van de bekwaamheidseisen van de assessor gemaakt aan de hand van het model van Cor Laming. Dit model biedt de mogelijkheid om kwalificatiedossiers uit te werken in leer- en uiteindelijk in lesdoelen. We hebben dit model ingevuld aan de hand van de toen beschikbare rol-/taakbeschrijvingen. Nu werd mij pas geleden de vraag gesteld door de firma Paragin om mee te werken aan een 360° feedback instrument voor assessoren. Zij willen hun bestaande technologie ook inzetten bij de kwaliteitsborging van assessoren. Ik denk dat dat inderdaad hoognodig is. Maar voor het vullen van het instrument zijn kerntaken, werkprocessen, competenties en prestatie-indicatoren nodig. Er bestaat echter geen competentieprofiel voor assessoren dat wettelijk is vastgelegd. Ik vind het vreemd, en ongewenst, dat de beoordelaars van competenties die wel wettelijk zijn vastgelegd, zelf aan geen enkele wettelijke eisen hoeven te voldoen. Maar goed, zelf aan de gang dan maar. Eerst op zoek naar bronnen. Het boek van Laming, Leren & Waarderen, geeft een vrij algemene beschrijving; Sinke geeft een wat uitgebreidere lijst van eisen in zijn Aan de slag met assessment; het kenniscentrum EVC heeft een beschamend lijstje van wat ze competenties noemt, maar waarvan het merendeel vaardigheden zijn. Het meest uitgebreide document is dat van de MBO Raad, Kwaliteit van assessoren, uit 2008. Hierin worden in ieder geval de begrippen kerntaak, werkproces en competentie gebruikt. Op basis van alle genoemde bronnen heb ik uiteindelijk een competentieprofiel opgesteld, waarbij ook prestatie-indicatoren en kennis- en vaardigheidsgebieden geformuleerd zijn. Dit resultaat wordt nu in de machinerie gestopt en dan kunnen we aan de gang met pilots. Hopelijk draagt het wat bij aan de kwaliteit van waar het uiteindelijk om draait: de opleiding van onze cursisten.

De praktijk van assessments

E. aan de lijn: “Ik heb een opdracht om een nieuwe examensystematiek te ontwerpen. Heb je zin om mee te doen?” Natuurlijk had ik zin om mee te doen: voor marktpartijen trajecten bouwen waar binnen je eigen roc blijkbaar nog geen behoefte aan is, is een aantrekkelijke uitdaging. Vorig jaar mei zijn we aan de gang gegaan. De eis van de opdrachtgever was om de beroepspraktijk een grotere rol bij de examinering te laten spelen; tot dan werd de opleiding afgesloten met alleen maar een theorie-examen. Al snel waren we het er over eens om de praktijkopdrachten die onderdeel van het lesmateriaal zijn, de basis van de examinering te laten zijn; portfolio opbouw dus. De stap naar digitaal was toen ook snel gezet, het logistieke proces werd daarmee beheersbaar. Het probleem dat op dat moment ontstond was hoe dit te realiseren. Een commerciële elo was onhaalbaar en zelf knutselen met open source software was ook geen optie. De oplossing hebben we gevonden bij de firma Paragin, die bereid was een systeem voor ons te ontwikkelen. Al in een vroeg stadium vonden de eerste gesprekken plaats, waardoor het systeem ‘on the flow’ ontwikkeld werd op basis van onze wensen en de suggesties van Paragin. Gaande het project is er veel tijd gaan zitten in het opstellen van processchema’s: welke rol moet welke stappen doorlopen? Ook de vraag: ‘Hoe borgen we de kwaliteit van het traject?’ heeft ons lang beziggehouden. De kwaliteitsborging hebben we uiteindelijk gerealiseerd door het theorie-examen te handhaven als onderdeel van het traject en het gehele traject af te sluiten met een criteriumgericht interview, af te nemen door een assessor en een inhoudsdeskundige. Zij zijn uitvoerig gebriefd en konden hun interviews voorbereiden m.b.v. het systeem. Deze interviews met de cursisten van de pilotgroep hebben de afgelopen week plaatsgevonden. En wat was het leuk om te doen! Met name cursisten vinden het zinvol om op deze manier hun opleiding af te sluiten. Aan al het werk dat ze besteed hebben aan hun opdrachten wordt op deze manier aandacht geschonken. En de opdrachtgever? Die overweegt ook de andere opleidingen op deze manier in te gaan richten.      

Overzicht inhoud portfolio

Uit de school geklapt 4

Vind ik in de school een ringband. Bij opening, om te zien of ik hem ergens terug kan brengen, zie ik dat het om een beoordelingsportfolio gaat. Altijd geïnteresseerd in deze materie, blader ik er eens doorheen. Ben benieuwd hoe anderen dat onderdeel inrichten en uitvoeren. Na een tijdje leg ik verbijsterd de map weg. Citaat: “Hoe bouw je een beoordelingsportfolio op? Je gaat per werkproces een aantal bewijzen verzamelen. Hiermee laat je zien dat je kennis hebt opgedaan over het betreffende onderwerp.” Nergens in de teksten het woord competentie. Vervolgens volgt de opsomming van bewijzen die verzameld moeten worden: 45 stuks! Die aan het eind van de rit door twee beoordelaars beoordeeld moeten worden. Voorbeelden van zo’n bewijs: ‘Maak een foto van de postkamer. Vertel de regels van first in – first out. Wat sla je op in de diepvries.’ En de tragiek is dat er nergens een poging gedaan wordt kerntaken en werkprocessen te integreren, sterker nog, navraag leert dat er aparte docenten zijn voor de kerntaken 1, 2, enz. en dat ze ook nog over de leerjaren verdeeld zijn. Integratie is dus niet eens mogelijk.
Het is maar goed dat het onderwijs in ons roc geen primair proces meer is, anders zou je je er nog zorgen om gaan maken.

Bewijs!
Bewijs!

Wie is er nou gek?

Het bekwaamheidsdossier is een aanhoudende zorg in ons roc. Niet vanwege de mogelijkheid die het biedt om de bekwaamheden van het personeel in kaart te brengen en te managen, maar vanwege het feit dat de onderwijsinspectie controle op de aanwezigheid ervan tot speerpunt heeft gemaakt. Er wordt nu flink gebezemd om alle relevante documenten binnen te halen. Ook ik kreeg diverse mails met daaraan gekoppeld ‘vodjes’ om mijn bekwaamheid op schrift te stellen. Mijn eigen bekwaamheidsdossier heb ik al een paar jaar geleden gemaakt in onze elo en het 1,5 jaar geleden met onze afdelingsmanager, die toen net nieuw was, gedeeld. Dit heb ik ook gemeld toen ik de eerste mail ontving. Helaas, men was niet in staat om de gewenste documenten uit mijn dossier te halen, dus of ik toch niet…? Nee, dat wilde ik niet, maar ik zag wel het dilemma waar men voor stond.
‘Zouden jullie geholpen zijn als ik zelf de documenten uit het dossier zou printen en bij de secretaresse in zou leveren?’
‘Ja, dat zou geweldig zijn.’
Aldus gedaan: dossier geopend, documenten geprint, ingeleverd bij secretaresse. Ik terug naar mijn werkplek. Twee minuten later: secretaresse bij mijn stoel.
‘???’
‘Ahum, heb je de documenten misschien ook digitaal?’
‘Waarom?’
‘De afdeling pz wil, naast de papieren versie ook een digitale versie. En nu moet ik deze afdrukken scannen.’
‘…’

Beoordelen van proeve van bekwaamheid

Over het beoordelen van proeven van bekwaamheid is al veel geschreven. Dat vele is echter vaak vrij algemeen. Algemene criteria (meer kaders), elementen waaruit de beoordeling moet worden opgebouwd, er is veel over te vinden. Alleen: hoe maak je dat allemaal concreet? Het antwoord op deze vraag werd recentelijk urgent. Voor een opleiding kok niv 2 die we voor en samen met een externe partner opgezet hebben, schrijft het examenplan een aantal mini proeven voor. De cursisten gaan binnenkort de bpv in en dus moeten de opdrachten en beoordelingsmodellen klaar zijn. Wat we niet wilden, was de leermeesters opzadelen met afvinklijstjes waar nog eens dunnetjes overgedaan wordt wat tijdens de normale bpv-opdrachten al aan de orde geweest is. Dus niet: kan hij een mes goed vasthouden? of: de julienne is niet regelmatig genoeg. Ons uitgangspunt was: een generiek beoordelingsmodel voor alle opdrachten en niet te veel beoordelingspunten (max tien). De opdrachten hadden we al, deze moesten alleen aangescherpt worden. Het beoordelingsmodel hebben we opgesteld conform de opdrachtenstructuur. Dat betekent dat de leercirkel van plannen à uitvoeren à evalueren à reflecteren doorlopen wordt. Het eerste concept is nu klaar en onderwerp van discussie. Wat moeilijk blijkt is de verschillende fases het juiste gewicht mee te geven, met het gevaar het aantal beoordelingspunten, nu negen, toch maar weer uit te breiden. Instrumenten ontwikkelen voor cgo blijkt ook voor ons docenten op dit moment vaak een kwestie van trial and error.

Flippen in de praktijkles

Sinds kort heb ik ook een Flip, een Flip Mino. Een Flipje dus. Hartstikke handig tijdens m’n praktijklessen. Ik kan nu heel snel bewijs verzamelen over van alles en nog wat. Een voorbeeld zie je hierbij. De filmpjes heb ik eerst nog bewerkt in moviemaker om er één geheel van te maken. Een andere mogelijkheid die ik ook al toegepast heb, is de volgende. Ik zet Flipje op een statief op de werkbank van een cursist en neem dan een handeling van hem/haar op. Vervolgens upload ik de opname direct naar Blip.tv die er een flash filmpje van maakt. Binnen enkele minuten kan ik die embedden in het persoonlijke weblog, dat tevens zijn portfolio is, van de cursist. Vervolgens geef ik de opdracht om er thuis commentaar op te leveren. Een volgende keer daar een voorbeeld van.

[blip.tv ?posts_id=1815455&dest=44079]

This video was originally shared on blip.tv by roccontract with a Creative Commons Attribution-NonCommercial 3.0 license.

Op de Teachmeet date ik speed

2009-01-28_2226

Morgen is het zover: voor het eerst van m’n leven ga ik speeddaten. Als ik de spelregels goed begrepen heb, date ik niet speed met één persoon per keer, maar met een stuk of wat. Groepsdate dus. En wat kun je dan in zeven minuten overbrengen? Het idee? De uitgangspunten? Het halleluja verhaal? De teleurstellingen (kan eigenlijk niet op zo’n feestelijke avond)? Ben benieuwd of er mensen geïnteresseerd zijn in het onderwerp. Bijzondere groep mensen bij elkaar morgen, dat is zeker. Ik tel in de gauwigheid een stuk of vijftien dames en eigenlijk vind ik dat te weinig. Volgende keer speciale marketingacties op touw zetten Fons? Gauw m’n poken in mijn tas, als iedereen morgenavond zo’n ding heeft, passen ze er precies allemaal op. Golddiggen met een poken: pokediggen.

Opdrachtidee voor Leren, loopbaan en burgerschap

Stichting Wakker Dier ligt in de clinch met de producenten en afnemers van kalfsvlees. De ruzie gaat over het produceren van het blanke kalfsvlees. In het kort: de kleur van het vlees wordt bepaald door het hemoglobinegehalte. Wettelijk is de minimumnorm 4,5. De producenten fokken kalveren met een hemoglobinewaarde van 5,5 en Wakker Dier zegt dat kalveren met een hemoglobinewaarde lager dan 7,0 aan bloedarmoede lijden. Diverse supermarktketens hebben het blanke vlees al geweerd, andere houden het in de schappen. Wat een prachtig ethisch onderwerp om in je lessen te gebruiken als casus en met een beetje denkwerk voor alle niveaus aan te passen. Raadplegen van sites van politieke partijen, supermarkten, weblogs, consumentenorganisaties, productschappen etc. levert veel informatie, meningen, vragen en antwoorden op. Werk je in één klap aan kerntaak 3, participeren in het politieke domein, kerntaak 5, functioneert als kritisch consument, en kerntaak 7, zorgt voor de eigen gezondheid. Lijkt me veel zinvoller dan werken met die suffe, loze methodes die tegenwoordig in veel roc’s voor llb gebruikt worden. Maar ja, dan moet je wel in staat zijn om zo’n casus om te bouwen tot lesmateriaal. Ik heb wel eens het idee dat die vaardigheid net zo hard verdwijnt uit het onderwijs als de schaatsvaardigheid uit Nederland.

Kalfshaas vuil
Kalfshaas vuil

 

 

Terugblik op vier jaar competentieleren op een PABO

In Het Onderwijsblad van 20 september kijkt columniste Inge Braam terug op haar ervaringen met het competentieleren. Zij is als docente aan een PABO verbonden. De invoering van competentieleren en de verandering die dat tot gevolg heeft gehad vergelijkt zij met een stroom waar je in terechtkomt en waarvan je niet weet waar die naar toe leidt, noch welke versnellingen, watervallen of stille rivierbochten onderweg aangedaan worden. Ze stelt zichzelf ‘de moeder aller competentievragen’: “Zijn we ergens aangekomen en wil ik daar ook zijn?” En het, onthutsende, antwoord is dat ze het niet weet. Vervolgens maakt ze de rekening op. Wat heeft het opgeleverd en wat heeft het gekost?
Aan de baten kant staat een opleiding die een geïntegreerd aanbod biedt en geen verzameling losse vakken. Opleidingsfases zijn duidelijk gedefinieerd en er is duidelijkheid voor studenten over wat van een leerkracht basisonderwijs verwacht wordt.
Aan de kosten kant voor docenten een zware administratieve last met betrekking tot het portfolio en aan studenten zijde de helft van het aantal jongens en veel mbo-meisjes.
Een van de grote problemen is het portfolio. Het is letterlijk een container waar alles, maar dan ook alles in gekieperd wordt. Bewijzen leveren over hun eigen ontwikkeling kunnen studenten van 18 jaar bijna niet. Vooral jongens van rond de 18 hebben nog onvoldoende ontwikkelde hersenen om te voldoen aan de eisen. De mbo-meisjes hebben te weinig bagage om portfolio’s met voldoende gewicht, vooral ook op het gebied van taalgebruik, samen te stellen. Probleem bij de beoordeling is ook de subjectiviteit door het ontbreken van duidelijke of objectieve criteria. Vervolgens werd alles dichtgeregeld met eenvormigheid als resultaat. De PABO lijkt weggezonken in het moeras van de toetsstructuur. Braam houdt vervolgens een pleidooi om toch vooral de kenniscomponent niet te vergeten, zeker voor beginnende beroepsbeoefenaars.
En berustend in haar docentenlot besluit ze haar artikel, lichtelijk murw geslagen: “Wat ik wel zeker weet is dat over een paar jaar een nieuw ruimtestation opnieuw een boodschap naar ons zal zenden. Een onverbiddelijke boodschap over een nieuwe missie. En weer zullen we op weg gaan. Dat is inmiddels het lot van iedere docent.”

Wat kunnen we hier van leren? Duidelijkheid voor alles. Duidelijkheid over wat we van onze cursisten verwachten, heldere criteria waar het toetsingstraject en de toetsproducten aan moeten voldoen. Dat het portfolio een middel is en geen doel, less is more. En dat we ook over onze mbo-schutting kunnen kijken naar wat er in het hbo gebeurt. Zij hakken al vier jaar met het competentiebijltje.
Klik hier om het originele artikel te lezen.