Litouwen dag 2, Daugirdiskes

Gedurende de nacht absolute stilte en absolute duisternis. Er zijn mensen die er niet zo goed tegen kunnen, zijn bang in het donker. Midden in de nacht zijn nog vier deelnemers gearriveerd, iets met vluchtschema’s.
Nu iedereen aanwezig was werd de kennismaking uitgebreid naar de organisatie waar je voor werkt, doelstelling van die club en de doelgroep. Het blijkt dat de helft van de groep in het jongerenwerk actief is, de rest is leraar of zelfstandige. Vervolgens hebben we ons beziggehouden met wat begripsverkenningen en persoonlijke doelstellingen.

 

Een interessant onderwerp was het item over open badges. Binnen de organisaties in het jongerenwerk wordt al uitgebreid geëxperimenteerd met open badges. Er is ook een platform gecreëerd, waar je  ook zelf projecten e.d. kunt aanmaken en zelf je bijbehorende badges kunt maken: www.badgecraft.eu Voor wie zich bezig wil gaan houden met badges zeker een omgeving waarbinnen je uitgebreid kunt experimenteren. Een onderwerp dat morgen zeker aan de orde gaat komen als we de erkenningssytematieken van non-formeel leren gaan bespreken.

In het seminar wordt, bewust, veel aandacht besteed aan het groepsproces, doel daarachter is dat men wil dat er zoveel mogelijk internationale contacten ontstaan, netwerkvorming. Verspreiding van het gedachtengoed is een speerpunt.
‘s Middags kwamen de good practices aan de orde. Een inventarisatie van bestaande contacten tussen formeel en non-formeel leren en de desbetreffende organisaties. Een kaleidoscoop aan activiteiten was het resultaat. Continue Reading “Litouwen dag 2, Daugirdiskes”

Vilnius, wat vooraf ging en wat er gaat gebeuren

De komende week verblijf ik in de omgeving van Vilnius, in Daugirdiskes om precies te zijn. Er is daar een werkconferentie waar deelnemers uit Finland, Duitsland, Griekenland, Italië, Litouwen, Malta, Nederland en Portugal zich buigen over het vraagstuk: Het waarderen van non-formeel leren. De deelnemers komen uit het jongerenwerk en de formele educatie. Het overkoepelende doel, tevens een speerpunt van de Europese Commissie, is: 

De samenwerking tussen organisaties op het gebied van jongerenwerk en scholen versterken en innovatieve methodes inzetten om het non-formele leren van jongeren te ondersteunen en hun prestaties te erkennen.

Om de diverse sub-doelen te halen, ligt er voor de 26 deelnemers en 2 facilitators een gedetailleerd programma klaar. Het is duidelijk dat er niet alleen geconsumeerd wordt, maar ook geproduceerd en gecreëerd. De organisatoren verwachten concrete resultaten.
Ook op het programma staat een ontmoeting met het  UNESCO Commission, Education development Centre. Wat ik me daar bij voor moet stellen, weet ik nog niet.
Hoe kwam ik hier terecht? Via het netwerk kreeg ik de uitnodiging toegespeeld vanwege mijn ervaring in/met het beroepsonderwijs, evc-trajecten, portfolio’s en het construeren van toetsings- en examineringstrajecten. Van de Nederlandse afgevaardigden ben ik de enige met deze achtergrond, de rest komt uit het jongerenwerk of anders.
Continue Reading “Vilnius, wat vooraf ging en wat er gaat gebeuren”

Het lentegevoel van een menigte leraren met lef

Vanochtend zag ik de volgende tweet van @fransdroog:

Hoeveel leden van #TheCrowdNl zijn ook ‘lid’ van #LerarenMetLef ?#onderwijs Zie laatste commentaar bij: linkedin.com/groups/Hadden-

Een interessante vraag gezien reacties op de bijeenkomst van de Leraren met lef op 14 april in Utrecht. Maar eens naar de discussie in de betreffende Linkedin groep gesurfd. Opvallend vind ik dat er meerdere keren gewezen wordt op het feit dat het allemaal nogal algemeen geformuleerd is, maar dat er nergens iets concreets verwoord staat. Met ander woorden: wat is nu een leraar met lef? Wat maakt nu die lente? Om maar weer eens terug te gaan naar mijn didactiek/methodiek lessen die ik op de Pedagogische Academie volgde: ‘Operationeel maken die doelstellingen, dames en heren!’ Ik zal een poging wagen om een en ander te concretiseren op basis van mijn eigen ervaring als leraar in het mbo. Mijn uitgangspunt is: wat je van je leerlingen verwacht, moet je minimaal van jezelf verwachten. Dat betekent dat ook ik op tijd ben, mijn lessen voorbereid, mijn leerlingen zal verwittigen als ik er een keer niet zou zijn. Maar dit is een soort basaal kwaliteitsniveau. Welke doelstellingen stel ik mij nog meer?

  1. Verander jaarlijks van 10% van je lessen de werkvorm. Experimenteer daarbij met minstens één voor jou nieuwe vorm. Het voorkomt de automatische piloot en de methodenslavernij.
  2. Stel je jaarlijks op de hoogte van tenminste één nieuwe ontwikkeling. Aan het eind van je onderzoeksperiode weet je of je het kunt e/o wilt gebruiken in je onderwijs. Ik verdiep mij op dit moment in het verschijnsel augmented reality en wil over een paar maanden antwoord hebben op de gestelde vraag.
  3. Onderbouw elke grote verandering in je onderwijs met argumenten. Verantwoord je tegenover anderen. Impulsief gedrag leidt tot ongelukken.
  4. Deel je ervaringen jaarlijks met anderen op een daarvoor bestemde bijeenkomst, liefst éénmaal intern en éénmaal extern.
  5. Houd aan het eind van het jaar een anonieme enquête onder je leerlingen. Stel daarin jouw functioneren als leraar en je onderwijs aan de orde. Vraag naar de ervaringen van de leerlingen met de voor jou nieuwe elementen. Zelf neem ik een paar weken voor de laatste lesdag een enquête af via de elo. Voor het beantwoorden van de vragen geef ik ze 2 à 3 weken en moeten ze thuis doen.
  6. Verzorg éénmaal per jaar een les of presentatie met iemand anders. Vraag gerichte feedback aan haar of hem. Gerichte feedback kan aan de hand van aandachtspunten die je van tevoren opstelt.
  7. Volg drie weblogs op het gebied van onderwijs. Je blijft daarmee op de hoogte van de ontwikkelingen die anderen signaleren.

Of dit het lentegevoel van een menigte leraren met lef op gaat leveren weet ik niet.  Of het een bruikbaar lijstje is voor anderen kan ik niet beoordelen. Het zijn in ieder geval doelstellingen die mij voortdurend bezighouden.

Waarom ik me principieel niet registreer als registerleraar

De Onderwijscoöperatie lanceert binnenkort officieel de website registerleraar.nl De site is al in de lucht en je kunt je er ook al registreren. Doel van de site is een register aan te leggen van leraren en vervolgens…, tja, wat dan vervolgens. Middels registratie zou je aantonen dat je je met je eigen professionalisering bezighoudt. Nou, daar heb ik zo’n register niet voor nodig, dat doe ik al in mijn digitale lerarenportfolio. Verder verbaast het mij dat er twee drempels ingebouwd worden voor je je kunt registreren: je moet minimaal 0,2 aanstelling hebben en je moet bevoegd zijn. En wie gaat dat controleren? En is het niet zo dat vooral de grote hoeveelheid onbevoegden zich met hun professionalisering bezig zouden moeten houden? En wie bepaalt wanneer iemand bevoegd is? Binnen het mbo volgen vele zij-instromers een soort van bijscholingscursus van een jaar en zijn daarmee startbekwaam bve-docent verklaard. En worden vervolgens als bevoegd docent gezien. Maar zijn ze dat ook?
Maar mijn principiële bezwaar en vooral weerzin tegen het geheel is de samenstelling van de club van deelnemende partijen. Met onderwijsvakorganisaties en vakbonden kan ik leven, omdat die vergelijkbare doelstellingen hebben. Maar wat doet een club als BON daarbij? Een club die zich meer afficheert als een PVV-onderwijslobby dan een organisatie die op inhoudelijke gronden de kwaliteit van het onderwijs wil verhogen. Hier een artikel op de website over waarom er vooral geen lerarenregister moet komen van nog geen jaar geleden en waarom SBL (waaruit de Onderwijscoöperatie voortgekomen is) een flutorganisatie is. Het staat bol van de typische bon-retoriek die we ook vanuit andere organisaties kennen: hard op de man spelen en vooral geen inhoudelijke argumenten aandragen. En opvallend daarbij is de snelle positieverandering, eerst vooral niet en nu wel. Maar ja, zodra de wind uit een andere hoek waait en de lucht van bijscholingstroggen meedraagt, neemt de windvaan een andere positie in. Dat heeft niets met principes te maken, behalve natuurkundige. Ik moet er niet aan denken dat gegevens van mij beschikbaar komen voor abjecte types. Wat er dan van kan komen is genoegzaam bekend.
En wat betreft de met overheidssubsidies gevulde bijscholingstroggen: de lucht was blijkbaar onweerstaanbaar, want het rijtje hongerige slobberaars is iets groter geworden.

De worsteling met een online cursus voor assessoren

Sinds een jaar of drie beweeg ik mij in de wereld van de assessoren. Nee, niet op mijn eigen school, want ‘we hebben geen gecertificeerde assessoren nodig, dat zijn wel erg hoge eisen die je aan medewerkers wilt stellen, zeg’. Goed, ik had de boodschap begrepen en ben mijn eigen pad opgegaan. De organisaties waar ik kom hebben bijna allemaal het probleem van te weinig opgeleide assessoren, laat staan gecertificeerde assessoren. Vaak wordt mij de vraag gesteld: waar kan ik een opleiding volgen? Voor scholen is die vraag redelijk snel te beantwoorden, want er zijn een aantal institutionele aanbieders op die markt. Maar waar moet een éénling naar toe? Na de zoveelste vraag besloot ik dan zelf maar die lacune op te vullen. Omdat je van al die eenlingen geen bulk kunt maken, bedacht ik dat het wel op een manier moest die geschikt zou zijn voor individuele deelnemers. Een schriftelijke cursus geloof ik niet zo in, dus ik kwam bij digitaal, online, uit. En toen was het makkelijkste deel gedaan. Ik heb fors wat ervaring met een elo, maar dat was altijd gecombineerd met face to face onderwijs. Dit zou echter volledig online moeten, zonder bijeenkomsten, maar wel met een persoonlijke begeleiding. De oplossing is vrij eenvoudig: met Skype, mail, telefoon, twitter, etc. kun je persoonlijk contact met cursisten houden. Volgende probleem opgelost. En toen de inrichting van de cursus. Het heeft me heel wat hoofdbrekens gekost om tot een logische ordening in de leereenheden te komen en vervolgens die te vullen met zinvolle tekst en opdrachten. Vooral dat laatste was erg lastig, omdat je niet wilt dat cursisten alleen iets lezen en bekijken, maar er ook iets mee doen. En wat het extra lastig maakt: assessor zijn is een interactief ding, daar heb je iemand anders bij nodig. Ik denk dat het uiteindelijk wel gelukt is, hoewel het rendement van de cursus voor een groot deel afhangt van de inzet van de cursist. Er is namelijk geen docent aanwezig die gaat ‘slepen’. Ik heb veel verwijzingen gemaakt naar kwalitatief goed materiaal dat op het internet te vinden is, zowel tekst als beeldmateriaal. Daarnaast maak ik gebruik van een boek waarin voldoende theoretische onderbouwing staat. Zoals gezegd, het is een hybride vorm geworden, maar wel volledig online. Het was een leerzaam proces, weer teruggeworpen te worden op het denken over de ontwerpprincipes van onderwijs. En het minste probleem? Dat was het vinden van het juiste instrument ;-)

Ik ben geen voorstander van reclame maken voor jezelf op je weblog, maar hier permitteer ik het me toch.

Eindelijk mijn eigen bekwaamheidsdossier

Niet dat ik dat nog niet had, maar nu echt. Een papieren versie heb ik nooit gemaakt. De eerste digitale maakte ik bij lerarenweb, maar die was zo statisch plus dat je er eigenlijk geen eigenaar van was, dat ik daar maar niet verder mee gegaan ben. Een paar jaar geleden heb ik in Blackboard een ‘totaal portfolio’ aangelegd, waaruit ik zelf een selectie kon maken, afhankelijk wie ik wat wilde laten zien. Maar ook daar gold: het is niet van u maar van de organisatie. Dus bij vertrek kon je een ingepakt exemplaar meenemen, waar je vervolgens niet veel mee kon. Nu heb ik er een die organisatie onafhankelijk is (behalve van de leverancier). Misschien niet zo mooi vorm te geven als in Bb, maar wel met een bloedvaart gevuld. Ook aanvullingen zijn een fluitje van ’n cent: klikken op de juiste plek en een te binnengeschoten werkervaring staat op de juiste plek.

Zelf te kiezen onderdelen zijn als pdf te exporteren. Het is ook mogelijk om foto’s te plaatsen (films helaas nog niet), minpuntje is echter dat er geen directe relatie te leggen is met de activiteit waar de foto aan refereert. Ook de relatie tussen specifieke werkervaring en competenties is (nog) niet aan te geven. Een competentiescan, een pop en de knop ambitie completeren het geheel.

Tot nu toe heb ik bijna alles kwijt gekund wat ik kwijt wilde. Wat mij betreft een tool dat ook geschikt is voor de iets minder digitaal vaardige collega. Kan die ook eens een keer voldoen aan wat eisen uit de wet BIO. Het e-Portfolio is nog volop in ontwikkeling, dus functionaliteiten kunnen nog veranderen, toegevoegd worden e.d. De basisuitvoering is gratis; voor extra’s, interessant voor organisaties die van hun medewerkers een portfolio willen zien, moet betaald worden. Het e-portfolio is een nieuwe loot aan de Remindo-stam van software-ontwikkelaar Paragin. Wie geïnteresseerd is en een demo-account wil hebben, op voorwaarde feedback te leveren, die kan een reactie op dit weblog achterlaten.

Na 533 vinkjes zetten nog niet weten wat je beoordeeld hebt

Of ik er eens naar wilde kijken. En of ik er ook iets van wilde vinden. Vroeg collega B. me een tijdje geleden. Het ging om het landelijk in te voeren Handboek Beroepspraktijkvorming 2010 voor de opleiding kok, dat het opleidingsteam een soort van door de strot geduwd zou krijgen. Hij voelde intuïtief aan dat het niet klopte, maar kon er niet precies de vinger op leggen. Ik heb het spul mee naar huis genomen en de tijd genomen er eens naar te kijken. En ik ben me kapot geschrokken.
Het Handboek bestaat uit twee delen, een ontwikkelingsgericht deel en een kwalificerend deel. In het hoofdstuk Instructie student staat:’ Dit handboek bevat praktijkopdrachten die je in de praktijk kunt uitoefenen of uitvoeren.’ Maar tijdens het doorbladeren vroeg ik me af: ‘Bevat het handboek daadwerkelijk opdrachten die je in de praktijk kunt oefenen?’ Wat ik in het hoofdstuk Opdrachten student aantrof is een opsomming van de prestatie-indicatoren per werkproces uit het kwalificatiedossier. Prestatie-indicatoren zijn daarmee ineens opdrachten geworden. Een prestatie-indicator is echter een beschrijving van het eindniveau dat iemand moet bereiken. De weg die afgelegd moet worden om dat niveau te bereiken, wordt beschreven in de onderwijsinhoud. In het geval van de bpv zijn dat de werkopdrachten of taken. En deze werkopdrachten, de onderwijsinhoud, ontbreken dus volledig.
Het is de wens van het bedrijfsleven om met een uniform handboek te gaan werken. Dit product is inderdaad een uniform product. Maar, het is geen leermiddel, slechts een registratiemiddel. En je kunt je afvragen wat het eigenlijk registreert. Na het zetten van 533 vinkjes kan de leermeester namelijk niet de vraag beantwoorden of zijn leerling ooit een biefstuk gebakken heeft, laat staan of dat goed gebeurd is. Het handboek registreert dus in ieder geval niet wat het pretendeert: ontwikkeling. In de praktijk zal elk roc (de eindverantwoordelijke), of in het slechtste geval elk leerbedrijf, zelf de inhoud gaan bepalen. En daarmee wordt precies bereikt wat niemand wil.
Daar waar publicaties de werkprocessen c.q. prestatie-indicatoren als uitgangspunt voor een leerproces nemen, zijn ze voor het Handboek alleen maar eindpunt. Daar waar gepleit wordt voor contextrijke opdrachten met beoordelingscriteria, zien we in het Handboek alleen een eindniveau geformuleerd. En daar waar reflectie en feedback als een essentieel onderdeel van het leerproces gezien wordt, is in het Handboek de enige vorm van reflectie het vaststellen hoe vaak iets gedaan wordt.
De conclusie kan niet anders zijn dan dat het Handboek Beroepspraktijkvorming ongeschikt is als bpv-werkboek en ongeschikt om de ontwikkeling van leerlingen vast te leggen. En daarmee, en dat is wellicht het ergste, ongeschikt om leerlingen het vak te leren.

De zelfevaluatie, beoordeling is identiek

N.B. Klik hier voor de volledige versie van dit artikel met o.a. vanuit de literatuur de onderbouwing van de stelling Waarom prestatie-indicatoren geen opdrachten zijn.
Klik hier voor het overzicht van de ‘opdrachten’ en een beoordelingsformulier.

‘’D’r uit met die gasten!’

In het Onderwijsblad van 18 september schrijft columnist Ton van Haperen een stuk over de kwaliteit van leraren onder de titel ‘Ontsla slechte leraren, iedereen wordt er beter van’. Hij constateert dat leraren om allerlei redenen terecht of onterecht ontslagen worden, maar dat slechts 0,2% van de totale hoeveelheid leraren in het voortgezet onderwijs om kwalitatieve redenen ontslagen wordt. En ergens in het artikel schrijft hij, refererend aan het lakse gedrag van leidinggevenden: “… (ze) weten niet goed wat dat is, een slechte leraar, …”. Het is een stuk naar mijn hart, er uit gooien die mensen die er niets van bakken. Ik moest tijdens het lezen direct denken aan de lezing die gegeven werd op de CVI-conferentie van april dit jaar over de Professionaliteit van de Mbo-docent. Voor een uitgebreid verslag van die lezing, klik hier. En die managers die niet weten wat een slechte leraar is, zou ik willen zeggen: vraag het de leerlingen. In serieuze interviews weten leerlingen je haarfijn te vertellen welke leraren goed en niet goed zijn. Maar wat nog veel belangrijker is, ze weten je ook nog te vertellen waarom. En mijn ervaring met dit soort interviews heeft me intussen geleerd dat het daarbij niet gaat om populaire of niet-populaire docenten, maar dat het gaat om vakinhoudelijke en didactische kwaliteit. Daarnaast is de wet BIO een instrument dat ingezet kan worden bij de kwaliteitsverbetering van docenten. Waarom zouden docenten niet op de kwaliteitspijnbank gelegd mogen worden? Maar welke school doet dat feitelijk? En effectief? Vele scholen hebben in hun beleidsplannen de verbetering van het onderwijs opgenomen. Als ik kijk naar de acties die mijn eigen organisatie daarbij benoemd heeft, dan staat daar niet de verhoging van de kwaliteit van het personeel bij, maar wel de standaard organisatorische en harde kant blabla. De effectiviteit van het onderwijs wordt voor 67% bepaald door de relatie leraar-leerling. Dus als die leraar slecht functioneert, dan kun je enige verbetering van dat onderwijs wel op je buik schrijven.
Waarom er dan toch zo weinig leraren ontslagen worden vanwege slechte kwaliteit? Ik denk dat de managers zelf de kwaliteit ontberen om het te kunnen, durven of willen. Want de middelen, die zijn er!

Startbekwame docenten

Woensdag was ik op de Hogeschool Utrecht om als veldassessor samen met een collega van de Hogeschool te beoordelen of twee kandidaten het predicaat startbekwaam docent waardig waren. Voor de studenten de laatste hobbel om gediplomeerd te worden. De procedure: assessoren krijgen vijf kwartier om portfolio te bestuderen en te overleggen; kandidaat geeft een presentatie van 40 minuten waarin het portfolio toegelicht en uitgediept wordt; na overleg tussen de assessoren volgt er een criteriumgericht interview van 40 minuten, waarna de zaak afgerond wordt met een toelichting op de uiteindelijke beoordeling. Inhoudelijk: de studenten moeten aantonen dat zij voldoen aan de eisen van de zeven beroepscompetenties van de wet BIO. Ik was onder de indruk van wat ik te zien en te horen kreeg. Alhoewel er een duidelijk verschil was tussen het ochtend en het middag assessment (afgenomen met een verschillende collega), waren de studenten prima in staat hun keuzes toe te lichten en te verantwoorden. In beide gevallen ging het over het vak wat ze hebben, docent zijn. Het vak dat ze gaan geven kwam nauwelijks ter sprake. En zo hoort het ook. Toen mijn co-assessor na een cgi aan mij vroeg wat ik er van vond, antwoordde ik: “Ik vond het een gesprek op collegiaal niveau. Het was een gesprek dat ik met veel van mijn collega’s op school niet meer kan voeren. Het ging over onderwijs en leerlingen en welke drijfveren ze heeft om er mee aan de slag te gaan.” Ik heb de opmerking ‘gesprek op collegiaal niveau’ op het beoordelingsformulier laten zetten. Het was een genot om te zien dat er nog wel startende leraren zijn die op een Hbo-niveau opgeleid zijn en kunnen functioneren. Leraren die hun onderwijskundige en pedagogische rol erkennen en ook snappen. En hun toekomstige leerlingen mogen blij zijn dat ze hen voor hun neus krijgen.

Uit de school geklapt 6

Het gesprek met collega H. gaat over het ontbreken van beoordlingscriteria in een proeve van bekwaamheid die afgenomen gaat worden in het team waar hij tijdelijk gestationeerd is.

Ik: “Maar dat kan toch niet? Dan kun je toch niet goed beoordelen?”

H: “Dan grijpen ze gewoon terug op de 5,5 strategie.”

Ik: “Wat houdt die dan in?”

H: “Collega M hanteert de 5,5 strategie: iedere herkanser krijgt een 5,5.”

Ik: “Waarom dat dan?”

H: “Het gaat bijna altijd om slecht presterende leerlingen en anders kom je er nooit vanaf, zegt hij.”