Uit de school geklapt 11

Op 26 september jl. berichtte ik over de wantoestand dat mijn leerlingen niet in konden loggen op de systemen in het leslokaal. En over het pingpong gedrag van kastjes en muurtjes die nooit met leerlingen in aanraking komen. Uw klapper is nog niets opgeschoten. Vandaag lesdag 17 gehad met de groep en vanochtend gewoon weer zelf ingelogd op 16 systemen. En het zal kastje en muur 786 eeuwig een zorg zijn. Want daar worden ze blijkbaar voor betaald.

De desastreuze invloed van de inspectie op de kwaliteit van het onderwijs

De kwaliteit van het onderwijs staat behoorlijk ter discussie, van hoog tot laag. Soms terecht, soms onterecht. De rol van de overheid als onbehoorlijk bestuurder in dezen zou wat mij betreft wel eens onderzocht mogen worden. Maar dit terzijde. Waar het mij om gaat, is de invloed die de audits van de onderwijsinspectie hebben op de kwaliteit van het onderwijs, met name in het mbo.

Als het over kwaliteit gaat, zijn er drie niveaus te onderscheiden. Op de eerste plaats is dat de kwaliteit die moet. Denk hierbij aan wet- en regelgeving waaraan voldaan moet worden, veiligheidsvoorschriften, brandvoorschriften, etc. Het tweede niveau, dat het eerste omvat, is de kwaliteit die hoort. Dat wat een afnemer als normaal beschouwt, maar wat niet wettelijk voorschreven is. Te denken valt aan waterdichte auto’s, smakelijke maaltijden maar ook de 10 regels voor goed onderwijs van JOB. Als laatste en hoogste  kwaliteitsniveau kennen we de kwaliteit die kan, de onderscheidende kwaliteit. Het is de kwaliteit die het verschil tussen producten, diensten en mensen onderling maakt. Vaak de niet-kwantificeerbare kwaliteit.

En nu de rol van de inspectie. De inspectie richt zich op de kwaliteit die moet: ze controleert of er voldaan wordt aan de regels die gesteld worden aan de organisatie en uitvoering van het onderwijs. Op zich is dat een prima zaak, daar ben ik voor. Maar de manier waarop onderwijsorganisaties reageren, maakt het desastreus. De kramp waarin ze schieten bij dreigend inspectiebezoek, maakt dat ze zich alleen nog maar blijvend focussen op het kwaliteitsniveau dat de inspectie verlangt. Alsof afnemers niets verlangen! Het beste bewijs voor dit denken zijn de landelijke bpv-boeken waar ik eerder over schreef. Ze worden aan het werkveld ‘verkocht’ met als argument dat ze inspectie-proof zijn. En dat zijn ze omdat het bpv-proces volgens de inspectie op deze manier geborgd is. Dat ze voor leerlingen, leermeesters en leraren onleesbaar en onwerkbaar zijn doet vervolgens niet ter zake. En dat er geen enkele garantie is dat de leerling een fatsoenlijke vakopleiding krijgt, onttrekt zich aan de waarneming van diezelfde inspectie. Daar maakt ze zich, misschien terecht, geen zorgen over. Scholen worden alleen maar echt afgerekend op het laagste kwaliteitsniveau, daar worden de rode en groene kaarten uitgedeeld. De leerling staat met lege handen, die heeft enkel zijn verzuim of recalcitrant gedrag als machtsmiddel. De controle van de inspectie garandeert nog geen goed onderwijs, laten we ons eerst daar maar weer eens op richten. En als dat voor elkaar is, ontstaat er ruimte om er ook nog iets moois van te maken.

Uit de school geklapt 10

screenshot 16-2-2011


Al surfend over het internet kom je nog eens ergens. We hebben als roc een eigen website (waar een hoop op aan te merken is), een intranet en een puike leeromgeving (Blackboard). Genoeg instrumenten zou je denken om je spullen neer te zetten en te communiceren met leerlingen. Een van onze sectoren denkt daar anders over, of misschien moet ik zeggen: een paar collega’s denken daar anders over. Ik stuitte op een website die nog gemaakt is, denk ik, met een van de eerste programma’s waarmee je zelf websites kon bouwen. Op de site actuele roosters, ook van docenten, maar ook sterk verouderde informatie, links naar programma’s, etc. Allemaal spul dat je prima in de elo kwijt kunt en waar geen vreemde ogen naar kunnen kijken. Maar wat kwalijker is, ook resultaten van leerlingen, met naam en toenaam. Ook kwalijk: persoonlijke site van een docent met verhalen over wat hem overkomen is. Leuk misschien voor de familie, maar hoort niet thuis op een schoolsite. Nu ben ik niet vies van een beetje anarchie, maar als je het doet, doe het dan stijlvol. Als de kwaliteit van de site gelijk is aan de kwaliteit van de docenten, dan heb ik medelijden met de leerlingen. Een baggersite als deze, verdient het roc niet.


‘Het is nog steeds leuk in het onderwijs, al zou je soms anders denken.’

Dit weekend weer een editie van het Onderwijsblad. En al bladerend en lezend kreeg ik de indruk dat ik een krant in handen had die alleen maar slecht nieuws te melden heeft. De redactie kan er niets aan doen, die doet gewoon haar werk en meldt wat er te melden valt. Maar ook de columnisten deden een duit in het zakje. Een bloemlezing:

  • de hoofdredacteur over de gevolgen van de nullijn;
  • columnist Van Haperen over de gevolgen van jarenlange bezuinigingen;
  • lumpsumbekostiging en het slechte financiële beleid van besturen in po;
  • de gevolgen van de aanstaande bezuinigingen voor het speciaal onderwijs;
  • de taal- en rekeneisen die in het mbo bepalend gaan worden/zijn en al selecterend werken;
  • de bezuiniging op inburgering en 30-plussers en de gevolgen voor roc’s.

Het schrijnendst vond ik het verhaal van columniste Lachesis. Zij verhaalt over de Cito-toets die vier- en vijfjarigen moeten ondergaan. Aan de hand van wat resultaten stelt ze zichzelf de vraag of ze, na zoveel jaren onderwijs, wel les kan geven. De doorgeslagen meetcultuur is haar een doorn in het oog en zeker wat er met die meetresultaten wordt gedaan. “Het idee dat de toegevoegde waarde van leerkrachten louter op grond van toetsresultaten kan worden vastgesteld, is te zot voor woorden.” Ik ben het helemaal met haar eens. Ook de kwaliteit van scholen e.d. is niet alleen af te lezen aan toets- of doorstroomcijfers.
Kwaliteit is wel meetbaar, maar niet altijd kwantificeerbaar. En het is precies die niet-kwantificeerbare kwaliteit die onderscheidend is, waardoor mensen zich die ene leraar, maaltijd, voorstelling of wat dan ook herinneren. De interactie tussen mij en mijn leerlingen is niet kwantificeerbaar, maar is wel precies dat wat hen verder brengt en het onderwijs voor mij na al die jaren nog steeds leuk maakt.


Klassenjustitie

Vandaag een uitgebreid artikel in het papieren AD over leerlingen die gefraudeerd hebben met cijfers. Hoe kon dat zo gebeuren? Heel simpel: docenten tikken hun wachtwoord in het vakje waar de inlognaam moet staan en via de beamer ziet de hele klas dat vervolgens. De middelbarescholieren, om die leeftijdscategorie gaat het, zagen hun kans schoon en veranderden, ook tegen betaling, cijfers. De vier hoofddaders zijn van school gestuurd. En toen ik al doorlezend verwachtte te lezen dat de docent of docenten die de oorzaak zijn ook bij die vier zitten, viel ik bijna van mijn stoel toen ik las dat het alleen maar om leerlingen ging. Wie is hier nou de dader? Volgens mij heeft de man of vrouw die zo klunzig met het ww omgegaan is de administratieve organisatie van de school in gevaar gebracht en daarmee het administratieve wel en wee van heel veel leerlingen! Maar blijkbaar mag dat. In plaats van dat de leerlingen geroemd worden voor het aan het licht brengen van een beveiligingslek en het onveilig handelen van een of meerdere docenten, worden ze eruit gekickt. De leden van de kaste der docenten houden elkaar de hand boven het hoofd: over kwaliteit van docenten mag niet gepraat worden, niet-functionerenden worden desnoods weggeparkeerd maar niet ontslagen. Nee, dat doen we met degenen waaraan we ons bestaan ontlenen en die we het goede voorbeeld zouden moeten geven. Opvoeden is bijsturen, niet afkappen. ‘Jong geleerd is oud gedaan’ luidt het spreekwoord. Met zulke schoolorganisaties belooft dat weinig goeds voor de toekomst.

 

Wat beeldvorming vermag

Henri Gascard (1635-1701) De ondertekening van de Vrede tussen Frankrijk en Spanje

Vorige week was ik op een congres over de Vrede van Nijmegen. Toen ik de aankondiging zag ging er heel ver weg een heel klein belletje rinkelen: ik wist dat er ooit een vrede gesloten was, maar waarom en wanneer? Toen kreeg ik de uitnodiging. Ik citeer: “In 1678 en 1679 wordt in Nijmegen een reeks van belangrijke verdragen tussen verschillende Europese staten getekend, die samen bekend staan als de Vrede van Nijmegen. Deze vrede maakt een eind aan langlopende conflicten over de verdeling van macht en grondgebied in Europa en markeert één van de belangrijkste momenten uit de geschiedenis van Europa. Er komt een einde aan de jarenlange strijd tussen de Republiek, Frankrijk, Spanje en hun bondgenoten. “ Het ging dus om één van de belangrijkste momenten in de geschiedenis van Europa en kon me er eigenlijk niets meer van herinneren ondanks het feit dat ik de laatste paar jaar toch wel wat politieke geschiedenis verstouwd heb. De handboeken dan maar geraadpleegd. Boek 1 noemt de vrede in een alinea die over allerlei oorlogshandelingen gaat. In boek 2 figureert de vrede ook in een alinea over de beschrijving van allerlei oorlogen tussen diverse staten. De Vrede van Utrecht, 1713, krijgt een vermelding in een paragraaf titel, maar het belang van die van Nijmegen wordt me niet duidelijk. Wikipedia dan maar. Daar leer ik dat het gaat over de periode 1672-1678 en die daar de Hollandse Oorlog en ook wel de Franco-Dutch War wordt genoemd. Nooit geweten. Wel ken ik het Rampjaar en de zoveelste Engelse Zee-oorlog e.d. Maar ook Wikipedia weet me niet te overtuigen dat het om één van de belangrijkste momenten in de Europese geschiedenis gaat. Tijdens het symposium kwam de aap langzaam uit de mouw. Peter Rietbergen vertelde in de openingslezing dat bij de onderhandelingen in Nijmegen voor het eerst in de geschiedenis alle betrokken partijen aanwezig waren. Niet zoals wij dat nu kennen in een gebouw of zaal, maar in ieder geval wel in hetzelfde stadje. Verder ging zijn verhaal over de oorlogen van toen en de invloed op de Europese geschiedenis. De vrede was slechts een gebeurtenis als zovele. De middaglezing van Dolly Verhoeven lichtte nog meer van de sluier op: de publieksgerichte aspecten van Cultuurwetenschappen gaan over de vraag hoe je geschiedenis aan de man kunt brengen. En om een lang verhaal kort te maken: de Vrede van Nijmegen paste eigenlijk heel goed in de city marketing van Nijmegen. En daarmee was voor mij het lot van de vrede bezegeld: een voetnoot in de geschiedenis. De vrede heeft wel nog wat opgeleverd: een prachtige collectie wandtapijten die speciaal voor de onderhandelingen is aangeschaft en permanent te bezichtigen in museum het Valkhof. En een symposium dat mij leerde wat beeldvorming vermag.
En vlak nadat ik dit allemaal opschreef, barstte het tumult over de zedenzaak in Amsterdamse kinderdagverblijven los. En alle echte en zelfbenoemde specialisten buitelen over elkaar heen en hebben meningen over oorzaken, preventie en strafmaat. Het land is in rep en roer. Maar vandaag las ik een brief die óók betrekking heeft op het welvaren en welzijn van in ieder geval 135 duizend kinderen. En van al die ouders die het betreft, hoor en zie je maar niets. Dat zal ook wel met beeldvorming te maken hebben.

De relatie tussen mbo en de leraar

Deze week raast de 6-Daagse Beroepsonderwijs door het land. Een 6-Daagse die als doel heeft het belang van het mbo voor de Nederlandse samenleving te onderstrepen. Ik vind het een prima initiatief. Onze leerlingen en vooral oud-leerlingen verdienen aandacht voor de belangrijke positie die zij innemen in ons economisch leven. Daarnaast is het ook nog eens een categorie leerlingen waar ik al jaren met enorm veel plezier les aan geef: down to earth, vaak handen uit de mouwen mentaliteit, geen dubbele agenda en soms onzeker op hun weg naar een beroepsideaal. Maar het mbo schijnt een imagoprobleem te hebben. Als je het filmpje bekijkt dat gemaakt is bij CompetentCity, de start van de 6-Daagse, dan wordt dat daar in ieder geval bevestigd. De staatssecretaris roept de docenten op uit hun slachtofferrol te kruipen, leerlingen vertellen dat ze dat imagoprobleem ervaren t.a.v. de opleiding maar ook t.a.v. de leraren en de inspriratie-marketeer vindt dat leraren meer de ambassadeursrol op zich moeten nemen. De zaak staat er dus blijkbaar niet zo florissant voor. Wat me dan opvalt, is dat op de dag van de leraar, de 6-Daagse die dag bestempelt als de dag van de stage. Waarom dan niet de dag van de mbo-leraar? Je biedt daarmee ook een breder beroepsperspectief voor mbo’ers. Bij hen is vaak niet bekend dat je via het mbo ook docent kunt worden. Nee., de dag van de stage moet het zijn. En daarmee wordt meteen een derde deel van de mbo-populatie vergeten: de bbl’ers. Deze leerlingen lopen geen stage maar werken. Die hebben geen tijd om allerlei manifestaties af te lopen om het mbo te promoten, die promoten dagelijks hun mbo-opleiding. Soms denk ik weleens dat mbo staat voor middelbare bol opleiding. Sinds het verdwijnen van de streekscholen is de bollificatie van de schoolorganisaties schrikbarend: managers en beleidsmakers realiseren zich niet dat scholen ook bbl-cursisten hebben. Een voorbeeld. Sinds de invoering van Leren, Loopbaan en Burgerschap worden er uren aan deze materie besteed, soms oplopend tot 4, 5 lesuren per week. In een opleiding waarbij cursisten meerdere dagen per week in huis zijn, is dat redelijk weg te zetten. Probeer dat eens in een opleiding waarbij cursisten maar één dag per week binnen zijn. En dan heb ik het nog niet over de eisen voor Nederlands, rekenen en moderne vreemde taal. En tja, eigenlijk moeten ze dan ook nog een vak leren. Als je iets aan het imago van het mbo wil doen, erken dan ook dat er mensen werken die een vak uitoefenen én dat er leerlingen zijn die gewoon werken naast hun opleiding. En met beide is niks mis. En ik weet dat het niet zo sexy is om een broodbakker op het podium te zetten, maar aan het begin van een bijeenkomst al die jongens en meisjes die iets met dans willen, komen me na al die jaren mijn neus uit. Dat is namelijk ook imagoafbraak.

‘’D’r uit met die gasten!’

In het Onderwijsblad van 18 september schrijft columnist Ton van Haperen een stuk over de kwaliteit van leraren onder de titel ‘Ontsla slechte leraren, iedereen wordt er beter van’. Hij constateert dat leraren om allerlei redenen terecht of onterecht ontslagen worden, maar dat slechts 0,2% van de totale hoeveelheid leraren in het voortgezet onderwijs om kwalitatieve redenen ontslagen wordt. En ergens in het artikel schrijft hij, refererend aan het lakse gedrag van leidinggevenden: “… (ze) weten niet goed wat dat is, een slechte leraar, …”. Het is een stuk naar mijn hart, er uit gooien die mensen die er niets van bakken. Ik moest tijdens het lezen direct denken aan de lezing die gegeven werd op de CVI-conferentie van april dit jaar over de Professionaliteit van de Mbo-docent. Voor een uitgebreid verslag van die lezing, klik hier. En die managers die niet weten wat een slechte leraar is, zou ik willen zeggen: vraag het de leerlingen. In serieuze interviews weten leerlingen je haarfijn te vertellen welke leraren goed en niet goed zijn. Maar wat nog veel belangrijker is, ze weten je ook nog te vertellen waarom. En mijn ervaring met dit soort interviews heeft me intussen geleerd dat het daarbij niet gaat om populaire of niet-populaire docenten, maar dat het gaat om vakinhoudelijke en didactische kwaliteit. Daarnaast is de wet BIO een instrument dat ingezet kan worden bij de kwaliteitsverbetering van docenten. Waarom zouden docenten niet op de kwaliteitspijnbank gelegd mogen worden? Maar welke school doet dat feitelijk? En effectief? Vele scholen hebben in hun beleidsplannen de verbetering van het onderwijs opgenomen. Als ik kijk naar de acties die mijn eigen organisatie daarbij benoemd heeft, dan staat daar niet de verhoging van de kwaliteit van het personeel bij, maar wel de standaard organisatorische en harde kant blabla. De effectiviteit van het onderwijs wordt voor 67% bepaald door de relatie leraar-leerling. Dus als die leraar slecht functioneert, dan kun je enige verbetering van dat onderwijs wel op je buik schrijven.
Waarom er dan toch zo weinig leraren ontslagen worden vanwege slechte kwaliteit? Ik denk dat de managers zelf de kwaliteit ontberen om het te kunnen, durven of willen. Want de middelen, die zijn er!

Deaf, dumb and blind

Op 18 augustus heb ik een berichtje geplaatst over een genante taalfout op de website van ons roc. We zijn inmiddels drie weken verder en er is nog niets gewijzigd op het moment dat ik dit schrijf. Wat me daaraan opvalt, is dat het roc volledig deaf, dumb and blind is als het gaat om de digitale wereld en met name de sociale media. De meisjes die iets met communicatie doen, hebben het waarschijnlijk veel te druk met onderling communiceren, in plaats van het web af te struinen en te luisteren naar wat daar gezegd wordt. Al twee jaar geven we aan dat de opleiding die ik geef door onze cursisten niet te vinden is op de website (klacht van de cursisten). Wordt niets mee gedaan. Deaf dus. Op rocnieuws zie ik berichten staan die op de nieuwspagina van de website niet te vinden zijn. Het meest recente nieuws is van 13 juli! Een rss-feed? Waarschijnlijk nog nooit van gehoord. Op Twitter heeft het account 71 volgers, maar 0 tweets. Blijkbaar niets te zeggen. Dumb dus. Het klikkersgilde heeft mijn bericht gemist of heeft het taalniveau niet om te begrijpen waar het bericht over gaat. En ik vraag me af of er iemand is die beeld heeft van welke medewerkers en cursisten een weblog hebben of twitteren en wat daar allemaal gezegd wordt. Of wat er allemaal op Youtube gebeurt. Blind dus.
Vermoedelijk zal een pinball ze ook niets zeggen. Tommy was beter op zijn toekomst voorbereid.

Planningsvaardigheden

Al een tijdje geleden over komen waaien uit de VS: de weddingplanner. Ze nemen je alle zorgen uit handen rond de organisatie van je huwelijk. Ik kan me er iets bij voorstellen als zo’n huwelijk een enorme logistieke operatie is, maar bij een gewoon huwelijk? Wat we al veel langer kennen is de doodsplanner, ook wel bekend als begrafenisondernemer. Die neemt alle organisatorische sores op zich rond de afhandeling van een overlijden. Prettig, want je hebt wel wat anders om handen. Maar ik schrok wel toen ik deze week het bericht voorbij zag komen dat we nu ook de andere kant van het spectrum ingevuld hebben: babyplanner. Mijn schrik zat ‘m in mijn eerste gedachte: het zal toch niet zo zijn dat ze werkelijk helpen met …? Maar nee, het gaat gelukkig om de organisatie van de aankoop van kleertjes, de hightech kinderwagen, de inrichting van de babykamer en wat dies meer zij. Het zijn me namelijk nogal niet een problemen, niet waar? Naast de loopbaanbegeleider, de carrièreplanner, de pensioenplanner en zo zullen er vast en zeker nog wel een stel zijn, dekken al deze functionarissen de hele levensloop wel zo’n beetje af. Kunnen we in het onderwijs het aanleren van planningsvaardigheden vervangen door leren budgetteren. Want het kost wel wat dat uit handen geven van de regie over je eigen leven.