Dodenherdenking 2018

‘Blijkbaar gaat dat zo in Nederland: rond de Dodenherdenking is vaak wat te doen.’ Zo begon ik mijn blogpost van 29 april 2012. De aanleiding was een gedicht van Auke, waarin hij het sneuvelen van zijn oudoom aan het Oostfront memoreert. Het gedicht heeft heel wat reacties opgeleverd, afkeurend en instemmend.
We zijn nu zes jaar verder en weer is er wat te doen rond de Dodenherdenking. Het gaat nu om de lichaamsomvang van leden van de erewacht, die geen goedkeuring kan vinden in de ogen van tv-kijkers en deelnemers aan het defilé. Lees verder

Mea maxima culpa

Ik ben man.

Ik ben blank.

Ik ben babyboomer.

Ik ben hoog opgeleid.

En ik ben, samen met mijn soortgenoten, verantwoordelijk voor alle ellende, vooral de economische, in dit land.

Althans volgens velen, waaronder Linda Duits in haar column/blogpost.

Er wordt mij, en mijn soortgenoten, heel veel verweten.

Ik doe al 46 jaar betaald, wit, werk en al die jaren betaal ik premie voor sociale verzekeringen. Ik heb 46 jaar lang met liefde meebetaald, en nog steeds, aan de AOW van hen die ons land na de oorlog wederopgebouwd hebben en waar ik de vruchten van plukte. Ik heb dat mede gedaan in de verwachting dat ik zelf, als ik de leeftijd bereikt zou hebben, ook gebruik zou kunnen maken van dat staatspensioen. Maar het blijkt velen zwaar te vallen om dat ‘offer’ te brengen, om onder ogen te zien dat de welvaart waarin ze opgegroeid zijn mede door mijn generatie tot stand is gebracht. En ik zal niet eens 46 jaar gebruikmaken van die AOW.

Mij wordt verweten een vet pensioen te krijgen. Ik heb vanaf 1973 pensioenpremie betaald en daar dus gewoon voor gespaard, daar heeft een ander niet aan bijgedragen. Continue Reading “Mea maxima culpa”

Oliemannetje – #blimageNL*

Een zonnige dag. Op de tuintafel staat een flesje olie en er naar kijkend zie ik het niet. Een verstild beeld.
De gedachten dwalen af naar het komend schooljaar, waarschijnlijk mijn laatste, en wat dat allemaal gaat brengen. In ieder geval 16 nieuwe leerlingen die de basis van het koksvak aangeleerd willen krijgen of, net zo legitiem, een vakdiploma willen halen. Het flesje voor me begint te bewegen en verandert langzaam in een glimlachend mens. Waarschijnlijk één van mijn nieuwe cursisten.
Ja, realiseer ik me nu, mijn cursisten zijn als flesjes olie: je weet wát het is, maar niet waarvandaan, wat het meegemaakt heeft, hoe het smaakt, geurt, voelt, door wiens handen het is gegaan en nog veel meer niet. En het is mijn taak er een smaak en geur en liefst ook nog wat andere eigenschappen aan te geven. 25 intensieve lesdagen lang macereren mijn en hun opvattingen, ideeën, lessen, invallen, uitglijders etc. in die flesjes. En er ontstaan 16 unieke oliën die 16 unieke toepassingen krijgen.
Wat heb ik toch een mooi vak, oliemannetje.
16 flesjes 1.1*N.a.v. de blimageNL-opdracht van Frans Droog om aan de hand van een beeld gedachten over onderwijs te verwoorden

Veertig jaren vloden heen …

Grat.ambtsjub.’ stond er op mijn salarisafrekening. Ik zag het pas op het moment dat ik ging kijken waarom ik zo’n hoog eindbedrag zag staan toen ik controleerde of mijn reiskostendeclaratie verwerkt was. Grat. ambtsjub. en verder niets. En, nu zo’n drie weken verder, nog steeds niets. Ik ga er maar vanuit dat het een gratificatie voor een ambtsjubileum is. Maar welk? Bij deze werkgever zit ik sinds 1979 en voor vijfendertig jaar krijg je volgens mij helemaal niets, zeker niet in de maand april. In het persoonlijk archief gedoken. Daar blijkt dat mijn eerste aanstelling in het onderwijs dateert van 1 augustus 1975, op een nijverheidsschool als leraar natuurkunde. Was een geweldig jaar trouwens, examenklassen met alleen maar meiden die ik wat bij moest brengen over kennis der natuur. En dat is iets anders dan natuurkunde. Maar zou dat het dan zijn? Ben ik nu mijn veertigste jaar in het onderwijs aan het vol maken? Er moet toch iemand binnen mijn eigen organisatie zijn die een seintje heeft gekregen om die gratificatie uit te keren? Vreemd dat je daar dus niets van en niemand over hoort. Blijkbaar zijn de mores op dit gebied in de loop van die veertig jaar veranderd. Naarmate je ouder wordt, kost je meer maar word je steeds minder waard, blijkbaar. Gelukkig kijken mijn leerlingen daar met andere ogen naar.
Maar wat een prachtige jaren waren en zijn het en wat zijn ze snel voorbij gegaan. Daarover een andere keer meer.

tegelgenerator (1)

Rite de passage

“Meneer, meneer!!!”

“Ook goeiemorgen N. wat is er voor paniek?”

“Meneer, ik ben van de week 18 geworden!”

“Gefeliciteerd! Heb je een leuke dag gehad?”

“Wat denkt u dat ik als eerste gedaan heb?”

“Ik zou het niet weten, maar het zal vast iets spannends zijn geweest als ik je zo hoor.”

“Nou, zodra de winkels open waren ben ik drank en sigaretten gaan kopen!”

“…”

Twitterjarig

Recent was ik jarig, Twitterjarig. En zoals dat met dat soort verjaardagen gaat, ging ook deze onopgemerkt voorbij. Gisteren zag ik dat er in mijn profiel opgenomen staat dat ik sinds 26 februari 2009 ‘op Twitter zit’. Het zal er al wel een tijdje staan, maar hoe vaak kijk je op je profiel? Sinds 2009 en hoe anders zag de wereld er toen uit. De financiële crisis begon net op stoom te komen, Barack Obama begon aan zijn eerste termijn en er was een aanslag op de koninklijke familie in Apeldoorn. Het verbaast me dat het medium na zoveel jaar nog steeds populair is en gebruikt wordt. Blijkbaar voorziet het in een behoefte. Een week na mijn start wijdde ik er een blogpost aan. Daarin vergeleek ik Twitter met mijn oude stamkroeg De Slok en noemde het ‘un zinc digital’. En dat is Twitter nog steeds. Een jaar na de start schreef ik weer een blogpost over mijn ervaringen tot dan toe en al teruglezend constateer ik dat de post geldend is voor de daaropvolgende vijf jaar.

Twitter 2010
Twitter 2010

De meerwaarde voor mij zit nog steeds in de nieuwe mensen die je leert kennen in alle hoeken en gaten van Nederland, waarvan maar een deel in het echt, en de kennis en ervaringen die gedeeld worden op welk gebied dan ook. De Tweetups waardoor ik wijkgenoten heb ontmoet, die ik anders nooit ontmoet zou hebben en de activiteiten waaraan ik deelgenomen heb via Twittercontacten. Zijn er ook negatieve kanten? Ja. Ik heb geleerd dat je verrader nooit slaapt en dat dat leidt tot zelfcensuur. Het leert je tegelijkertijd iets over je eigen organisatie. Soms ben ik wat Twittermoe, ik merk het bij meerdere mensen, maar afhaken doe ik nog niet, het brengt me nog teveel. En ik ben bang dat we voorlopig nog niet van dat afschuwelijke kids af zijn.

Twitter 2015
Twitter 2015

Masterclass ‘Je personeel een mes in de rug steken!’

Vanochtend stond dit stukje in het AD.

pesten

Het zijn van die berichten die mijn ontbijt verstieren. Ik moest direct denken aan de betrokken onderwijzer: je handelt vanuit je pedagogische opdracht en dit is dan het effect, wat moet je je dan verraden voelen. Ik maakte een foto van het bericht en plaatste deze op twitter met de tekst: Nou, deze onderwijzer ben je dus kwijt, prutsers. Blijkbaar was ik niet de enige die geraakt was door het onrecht dat geschied was. Het bericht werd binnen 1,5 uur bijna 100× geretweet. Alle reacties die ik daarnaast kreeg waren instemmend. Ik vroeg mij af waar deze grote mate van instemming in zo’n korte tijd vandaan kwam. Ik zal het proberen te duiden aan de hand van mijn eigen overwegingen.

  • Afgaand op het bericht lijkt het of de daders beloond worden en de ‘redder’ van de kinderen gestraft; een sterk gevoel van onrecht overheerst.
  • Het gezag dat deze onderwijzer bij kinderen heeft, wordt hem ontnomen door een excuusbrief te moeten schrijven aan de daders. Dit grijpt diep in in je professionele integriteit.
  • Het vertrouwen dat je als leidinggevende en personeel onderling moet hebben om een organisatie draaiende te houden is helemaal weg. Achterdocht t.o.v. de directeur zal de grondhouding zijn.
  • Ik vermoed dat ouders OM en politie ingeschakeld hebben, bizar dat zij het de onderwijzer kwalijk nemen dat hij de pedagogische taak vervult die zij verzaken. Hoe zouden zij reageren als hun eigen prinsje of prinsesje slachtoffer van pesten zou zijn?
  • Deze onderwijzer is verloren voor het onderwijs, in ieder geval onderwijs waar ouders direct bij betrokken zijn.
  • Iemand 1,5 week op non-actief zetten voor zo’n handeling, er worden mildere straffen gegeven voor zwaardere vergrijpen. Ook hier gevoel van onrecht.
  • Ik schat in dat deze directeur die 1,5 week op non-actief inhoudt op het salaris.
  • Het beroep van onderwijzer wordt er niet aantrekkelijker door; maar gelukkig leest de jeugd van tegenwoordig niet zo vaak de krant meer.

Wil je je beroepsgroep in diskrediet brengen? Volg dan deze masterclass!

 

 

 

‘De kwaliteit van het onderwijs is een aanhoudende zorg van het volk …’

Al zou je willen, je kunt er niet omheen. Er wordt gemord over de kwaliteit van het onderwijs, van laag naar hoog en terug, en over de kwaliteit van de mensen die dat onderwijs verzorgen. Wie denkt dat het typisch iets is voor onze huidige samenleving, die heeft het mis. Al in 1591 publiceerde Dirck Adriaensz. Valcooch een traktaat met raadgevingen voor goed onderwijs. Aanleiding voor dit geschrift was de abominabele kwaliteit van de toenmalige onderwijzers. Het duurde nog zo’n tweehonderd jaar voordat er formele beroepseisen gesteld werden. De lager-onderwijswetten van begin 19e eeuw legden onbedoeld de kiem voor wat later de Schoolstrijd werd genoemd en die tot in de 20ste eeuw doorwoedde. Maar die schoolstrijd was gewoon een conflict over de kwaliteit van het onderwijs. En alle onderwijswetgeving van de laatste 50 jaar kan gezien worden als reparaties van wat gezien werd als gebrekkig onderwijs. De rode draad is steeds het begrip kwaliteit. Ook in het huidige discours over onderwijs wordt het begrip te pas en te onpas gebruikt als ware het een eenduidig begrip. ‘De kwaliteit van dit of dat is niet of wel goed’, maar ook: ‘kwaliteit is niet meetbaar’. Wat mij bij dit alles stoort, is dat er niet expliciet gemaakt wordt wat er met die kwaliteit bedoeld wordt. Op deze manier blijft het een containerbegrip waar iedereen maar wat in stopt en waar je het dus nooit over eens wordt. Maar wat is nu kwaliteit?

Wat is kwaliteit?

Kwaliteit is een begrip dat zich op drie niveaus af kan spelen: de kwaliteit die moet, de kwaliteit die hoort en de kwaliteit die kan.

De kwaliteit die moet.
Dit eerste kwaliteitsniveau gaat over het voldoen aan wettelijke eisen en allerlei andere voorschriften. Je kunt het er wel of niet mee eens zijn, je moet er aan voldoen. Of het nu gaat om het bouwen van een huis, het inrichten van een opleiding, het aanleren van kennis of vaardigheden of het opvoeden van kinderen: er zijn wetten en regels waar je je aan te houden hebt. En je kunt meten en/of vaststellen of dat gebeurt.

De kwaliteit die hoort.
Dit tweede kwaliteitsniveau omvat het eerste. Hetgaat hier over de verwachtingen die gebruikers, klanten e.d. hebben. In het mbo zijn door JOB een paar jaar geleden de 10 regels voor goed mbo geformuleerd. In een restaurant wil ik vriendelijk bejegend worden. Dat zijn wensen van afnemers, zij verwachten dat het product dat zij afnemen daar minstens aan voldoet. Dat kun je meten en/of vaststellen.

Onderwijsblad 11 mei 2013
Onderwijsblad 11 mei 2013

De kwaliteit die kan of mag.
Dit kwaliteitsniveau is het niveau waar je onderscheidend kunt zijn, waar je boven de verwachtingen van de afnemer uitstijgt. Dit is het terrein van het vernieuwende, het afwijkende, het bijzondere, het verrassende, het eigene. De vormgeving van een gebruiksvoorwerp, de technische mogelijkheden van een apparaat, de smaak van een product, het innovatieve van een concept. De beleving hiervan door afnemers is allemaal te meten en/of vast te stellen.

Is kwaliteit meetbaar?

Kwaliteit mag dan misschien niet altijd meetbaar, kwantificeerbaar zijn, vast te stellen is het wel. Geluk, verdriet, vooruitgang, ontwikkeling zijn dan wel niet in een getal uit te drukken, je kunt ze wel vaststellen. En als dat niet kan, kan het geen onderwerp van de discussie meer zijn, dan kom je in het gebied van het geloven. Wittgenstein zei het al: “Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen”. Dit betekent dus dat voor mij elk onderdeel van het begrip kwaliteit meetbaar of vast te stellen moet zijn. Daarna volgt pas de (subjectieve) interpretatie van het gemeten resultaat of vastgestelde. Concreet: met het afnemen van een CITO toets is niets mis, de discussie moet gaan over hoe het resultaat gebruikt wordt. Je kunt tenslotte de guillotine ook niet kwalijk nemen dat kop en romp gescheiden worden van degene die er op terecht komt.

Wat betekent dit nu voor het onderwijs?

De kwaliteit die moet.
Onderwijswetgeving is het kader waarbinnen het zich allemaal moet afspelen. Is dat een ruim of een knellend kader? Het antwoord hangt natuurlijk gedeeltelijk af van wat je wilt en van het onderwijstype, maar ik denk dat er binnen de kaders nog heel veel mogelijk is. Met name op het gebied van het pedagogisch en didactisch handelen, gezien de verschillende onderwijsvormen die er in het basisonderwijs bestaan. Betekent dit nu dat een kind zich niet meer vrij kan ontwikkelen, een wens die door velen geuit wordt? Ik vind die roep om die vrije ontwikkeling een beetje een dooddoener, een stoplap. De discussie zou moeten gaan over de richting waarin die ontwikkeling zich afspeelt en welke methodieken je als opvoeder of leerkracht daarbij hanteert. J.J. Rousseau heeft er ooit een boek over geschreven, Emile, maar die methode heeft voor zover ik weet nooit brede toepassing gevonden. Bonnie & Clyde hebben zich ook vrij ontwikkeld, dus passen in de stoplap, maar de richting van die ontwikkeling zal niet de richting zijn die de meeste ouders voor hun kinderen in gedachte hebben. Die vrije ontwikkeling is de facto dus aan heel veel beperkingen onderhevig, met name culturele. En dat geldt al helemaal als er ook nog voor een beroep opgeleid moet worden.

De kwaliteit die hoort.
Wat mogen wij als samenleving van basisscholen verwachten als afnemer? Zijn daar grenzen aan? Hebben basisscholen een beleid als het gaat over de rol en verwachtingen van de ouders? Ik zou als leerkracht stapelgek worden als ik 30 kinderen in mijn klas zou hebben en rekening zou moeten houden met de wensen van 30 ouderparen. Je zult als leerkracht het recht op moeten eisen je werk te kunnen doen. Dat is zelfs kwaliteit die moet.
Hebben schoolorganisaties scherp in beeld wat hun afnemers willen?  Houden zij leerlingpanels geleid door externen? Worden er anonieme enquêtes afgenomen? Ik maak me sterk dat de 10 regels voor goed mbo deels ook voor het vo gelden, en wellicht ook het hbo. En als ik door de gangen bij ons op school loop en de lokalen binnen kijk, dan vraag ik me soms af of die collega in de gaten heeft dat wat hij/zij staat te doen absoluut niet overeenkomt met de verwachtingen van het aanwezige publiek. En de vraag die zich dan opdringt is: kan die persoon überhaupt voldoen aan de verwachtingen van het publiek?

Tweet 12 mei 2013
Tweet 12 mei 2013

De kwaliteit die kan of mag.
Dit is het domein waar je als organisatie of individuele docent onderscheidend kunt zijn. En onderscheidend kan ook betekenen dat je door een deel van de klas als een goede leraar bestempeld wordt. Onderscheidend ben je ook als je dingen doet die leerlingen niet verwachten. Denk daarbij aan afwisselende werkvormen met elementen die inderdaad verrassend zijn. Maar dan moet je dat wel in je repertoire hebben. Het is misschien niet groots, maar kleine kwaliteit is ook kwaliteit. In dit domein passen ook de grote onderwijsconcepten die afwijken van de bestaande. Of het nu gaat om Illich, Montessori, Rogers, High Tech High en nog vele meer, het gaat allemaal om een andere kijk op de pedagogische en/of methodisch-didactische benadering. En soms past het binnen de wettelijke kaders, soms niet. Maar er zal iéts geleerd moeten worden.

Conclusie

Over kwaliteit is wel degelijk te discussiëren, mits je maar expliciet maakt waar je het over hebt of welke richting iets op zou moeten gaan. Kwaliteit van het tweede en derde niveau is een recht én een keuze. Zeker voor de individuele leraar. Als we kwaliteitsverbetering van het onderwijs willen, zal het daar en door hem of haar moeten gebeuren.

Ben ík nou de weg kwijt?

Volgens het Onderwijsblad van dit weekend AOB april 2013
loop ik grote kans de weg kwijt te zijn als docent. Omdat zelfonderzoek een onderdeel is van mijn professionele houding, ben ik maar eens het artikel in gedoken om na te gaan of ik daadwerkelijk de weg kwijt ben.
Eerlijk gezegd, denk ik van niet en dat komt
voornamelijk door het feit dat ik het artikel nogal warrig vind. In het stuk  worden twee docenten, René Kneyber en Jelmer Evers, uit het voortgezet onderwijs aangehaald. Het is mij niet helemaal duidelijk of de citaten in het artikel letterlijk zijn of interpretaties en indikkingen van de auteur. Om te beginnen wordt het streven van de regering om bij de top vijf van de wereld te komen bekritiseerd. “Sturen op resultaten werkt niet in het onderwijs. Je meet de kwaliteit van het onderwijs niet aan de hand van het aantal diploma’s of de gemiddelde hoogte van een Cito-score”. Sturen op resultaat en dat resultaat verengen tot het aantal diploma’s zijn twee verschillende dingen wat mij betreft. Iedere docent wil resultaat zien, de discussie moet gaan over waar dat resultaat uit moet bestaan. Vervolgens wordt het volgende gezegd: “… aan de ontwikkelingen in het hoger beroepsonderwijs zie je dat sturen op resultaat juist fraude met diploma’s in de hand werkt.” Wat mij betreft heeft de recente geschiedenis van de pabo’s aangetoond dat juist het niet sturen op resultaat tot enorme kwaliteitsarmoede heeft geleid. En de genoemde fraude wordt eerder veroorzaakt door de perverse financieringssystematiek (net zoals in het mbo) dan door de eis dat er naar resultaten gekeken wordt.

Goed onderwijs voldoet volgens de geïnterviewden aan de volgende criteria: ‘het moet excellent zijn, ethisch verantwoord en er moet sprake zijn van engagement’. Nou, met deze containerbegrippen zal niemand het oneens zijn. Maar wat ze inhouden …? Daarnaast moeten de waarden van docenten overeenkomen met de manier waarop toezichthoudende organen het werk controleren. Ik lees hier niets anders dan dat ik als docent me aan moet passen aan de denkwereld van de onderwijsinspectie. Welnu, ik ben ooit in dienst genomen om leerlingen op te leiden tot bekwame beroepsbeoefenaars en daar mag de inspectie mij op afrekenen, niet op of ik in staat ben me te verplaatsen in de denkwereld van de inspecteur. En wat het niveau en inhoud is van een bekwame beroepsbeoefenaar staat keurig beschreven in het kwalificatiedossier (kd). In hoeverre dit laatste voor andere onderwijsvormen geldt, kan ik niet beoordelen.

Waar ik me wel in kan vinden, is de opmerking over de bereidheid van docenten om te professionaliseren. Of, beter gezegd, de onwil om te professionaliseren. Het is wel jammer dat er alleen gewezen wordt naar oudere docenten; laat ik het zo zeggen: bij ons op school komt de onderwijsvernieuwing zeker niet van de jongere collega’s, daar zie ik alleen maar het recyclen van het onderwijs dat ze zelf ooit ondergaan hebben.

Als laatste de gedachte waar ik het hartgrondig mee eens ben: een deel van het begrip kwaliteit is niet te kwantificeren. Het beroerde is alleen dat de discussie nooit gaat over wat we nu precies met kwaliteit bedoelen, wat de inhoud daar van is. En daarmee blijft het hetzelfde containerbegrip als excellent onderwijs, ethisch verantwoord of engagement.

Vijf jaren

Bij toeval kwam ik er gisteren achter dat ik op 26 januari 2008 mijn eerste blogpost publiceerde. Vandaag soort van verjaardag dus. Ik ben dit weblog begonnen om te schrijven over mijn ervaringen met ict in de didactiek van mijn onderwijs, vandaar ook de naam. Maar al gauw slopen er andere onderwerpen binnen: mijn frustraties over de organisatie waar ik werk, het vakgebied dat ik ‘geef’ en waar nog wel wat mythen doorgeprikt moeten worden, bijzondere buitenlandse ervaringen en wat berichten in de categorie diversen. Af en toe ver wegdrijvend van het oorspronkelijke onderwerp. Blijkbaar heb ik het nodig, want dat is wel de rode draad hier: ik schrijf over wat me bezighoudt. En dat dat soms een kant uitgaat die je niet wilt of voorziet, bleek toen ik op 29 april 2012 een bericht schreef over het gedicht dat tijdens de 4 mei herdenking niet voorgelezen mocht worden. Ik schreef dat bericht vooral voor mezelf, om mijn eigen positie in dat debat (gezien de persoonlijke betrokkenheid) te formuleren. Het is het meest memorabele bericht uit de vijf jaar geworden.