‘Weet je het nu nog niet?’

Het is een verzuchting die iedere docent wel eens slaakt. Ik in ieder geval wel. Hoe komt het nou toch dat ze niets onthouden? Althans, die indruk vestigen leerlingen meer dan eens. In het Onderwijsblad van 3 september jl. wordt uit de doeken gedaan waar een van de oorzaken zou kunnen liggen. In het artikel wordt het leren van rijtjes als voorbeeld genomen en aangetoond dat het leren van de meeste feitelijke kennis eigenlijk zinloos en tijdverspilling is. Ons geheugen is visueel en emotioneel ingesteld. Dat betekent dat we beter onthouden als we dingen gezien of beleefd hebben. Feitelijke informatie is iets waar het geheugen moeite mee heeft. Waarschijnlijk is het hierom dat we van de boeiend lesgevende leraar meer leren dan van de saaie: hij weet ons emotioneel te raken. Joshua Foer, ik weet niet of hij de uitvinder is, heeft recent een boek geschreven over het Geheugenpaleis, een methode om dingen te onthouden door ze te visualiseren en een zinvolle betekenis te geven. Nu hoeven mijn leerlingen gelukkig geen rijtjes meer te leren, maar ik zadel ze vaak genoeg op met feitelijke informatie die inderdaad moeilijk beklijft. Komend jaar ga ik toch eens proberen mijn cursisten te helpen met het bouwen van een geheugenpaleis om bijvoorbeeld nu in één keer te onthouden hoe een koe in elkaar zit. De stappen die je moet zetten om zover te komen staan op deze website toegelicht.

Denken in modellen: TPACK

Deze week verscheen er een oproep op Twitter om praktijkvoorbeelden te geven van het gebruik van video in het onderwijs. Omdat ik al een aantal jaren video inzet als instructie-, feedback- en reflectiemiddel, heb ik op de oproep gereageerd. En toen begon het gedonder: of ik het wilde beschrijven met het TPACK-model. Wel eens die term voorbij zien komen, maar me er nooit in verdiept. Maar wie A zegt, moet ook B zeggen en vandaag heb ik maar eens de Kennisnetbrochure gedownload. TPACK blijkt een model te zijn om de kennisbasis van docenten te beschrijven en het beslaat drie terreinen/componenten: de vakinhoud, de didactiek om die inhoud aan de man te brengen en de technologie om in dat didactische proces in te zetten. Tot zover snapte ik het wel. Het probleem ontstond toen ik het filmpje dat ik als voorbeeld wil gebruiken, in het betreffende model wilde stoppen. Wat was nu precies de bedoeling? Ik heb het opgelost door de drie componenten te beschrijven aan de hand van het gebruik van het filmpje. Hopelijk is dat de bedoeling. En zo niet, dan hoor ik het graag. Feedback komt ten goede aan mijn TPACK-ontwikkeling! Klik hier voor de uitwerking.

De inspiratiedag

De inspiratiedag

Gisteren hadden we een sectordag, die voor de gelegenheid omgedoopt was tot inspiratiedag. De boodschap: laat je inspireren door de lezingen/workshops met als rode draad de loopbaanbegeleiding. De eerste spreker was Tom Luken. Het belangrijkste wat ik er leerde: verwar studiebegeleiding niet met loopbaanbegeleiding. Vaak worden die twee door elkaar gehaald en even vaak wordt er eigenlijk niet aan echte loopbaanbegeleiding gedaan. De eerste ronde ging voor mij over de plaats die een mini-onderneming in het eerste jaar van een opleiding in kan nemen. De ervaring die men opgedaan had, onderstreept door het optreden van twee leerlingen die het tweede deel van de presentatie voor hun rekening namen, waren positief. Onthouden dus, niet pas in het laatste jaar die onderneming. De tweede ronde was een bevestiging van de eerste. Omdat ik geen interessante bijdrage in deze ronde kon ontdekken, ging ik aan de praat met een van de leerlingen die onderdeel van de organisatie waren. Hij zit in het tweede of derde jaar van zijn opleiding en krijgt nu pas te maken met een min of meer echt project. De waarde voor hem: ‘tja, je bent eerst een paar jaar bezig met theoretische basis, maar hier gaat het eigenlijk om.’ Zo snel mogelijk beroepservaringen opdoen dus. Derde ronde: sociale media in de bpv. Daar was voor mij inhoudelijk niet zoveel te halen, maar ik had mezelf de opdracht gegeven goed te luisteren en kijken naar de reacties van de aanwezige collega’s. En die waren af en toe diep droevig. Het gebrek aan kennis, maar vooral ook de onwil om iets aan dat gebrek te doen, waren af en toe stuitend. Eigenlijk zeggen ze tegen hun leerlingen: ‘Ik leid je wel op voor een beroep in een maatschappij, maar ik weiger me op de hoogte te stellen van hoe die maatschappij er uit ziet.’ In de middag een dynamische en intensieve workshop over rekendidactiek die mij met de neus op het feit drukte dat ik geen enkel idee heb van de rekenniveaus die op dit moment in het mbo onderscheiden worden. Ook leerzaam dus.

Maar, er waren ook een paar gemiste kansen. Na afloop een kort gesprekje met een paar leerlingen (er waren er heel wat ingezet bij de organisatie, goede zaak). ‘Dit telt zeker als een beroepsprestatie in je portfolio/bpv-boek?’ ‘Nou, dat ziet u een beetje verkeerd.’ ‘Hoe dat zo?’ ‘Nou, ze houden er wel een beetje rekening mee als je bij een andere prestatie op een onderdeel wat zwak scoort, maar dat is ’t wel.’ Wat mij betreft een mispeer van de bovenste plank. De tweede mispeer was ook zo’n prachtige kans. Een afdeling die én ict-opleidingen én marketing en communicatie-opleidingen in huis heeft, kan anno 2011 niet meer op de proppen komen met een papieren enquête. Maar het gebeurde toch.

Al met al een geslaagde dag, omdat het vooral om onderwijs en kennisuitwisseling ging. En natuurlijk de collega’s weer zien die we al een paar maanden niet meer gesproken hadden.

Klik hier voor het verslag van presentator Karin Winters.

Eindelijk mijn eigen bekwaamheidsdossier

Niet dat ik dat nog niet had, maar nu echt. Een papieren versie heb ik nooit gemaakt. De eerste digitale maakte ik bij lerarenweb, maar die was zo statisch plus dat je er eigenlijk geen eigenaar van was, dat ik daar maar niet verder mee gegaan ben. Een paar jaar geleden heb ik in Blackboard een ‘totaal portfolio’ aangelegd, waaruit ik zelf een selectie kon maken, afhankelijk wie ik wat wilde laten zien. Maar ook daar gold: het is niet van u maar van de organisatie. Dus bij vertrek kon je een ingepakt exemplaar meenemen, waar je vervolgens niet veel mee kon. Nu heb ik er een die organisatie onafhankelijk is (behalve van de leverancier). Misschien niet zo mooi vorm te geven als in Bb, maar wel met een bloedvaart gevuld. Ook aanvullingen zijn een fluitje van ’n cent: klikken op de juiste plek en een te binnengeschoten werkervaring staat op de juiste plek.

Zelf te kiezen onderdelen zijn als pdf te exporteren. Het is ook mogelijk om foto’s te plaatsen (films helaas nog niet), minpuntje is echter dat er geen directe relatie te leggen is met de activiteit waar de foto aan refereert. Ook de relatie tussen specifieke werkervaring en competenties is (nog) niet aan te geven. Een competentiescan, een pop en de knop ambitie completeren het geheel.

Tot nu toe heb ik bijna alles kwijt gekund wat ik kwijt wilde. Wat mij betreft een tool dat ook geschikt is voor de iets minder digitaal vaardige collega. Kan die ook eens een keer voldoen aan wat eisen uit de wet BIO. Het e-Portfolio is nog volop in ontwikkeling, dus functionaliteiten kunnen nog veranderen, toegevoegd worden e.d. De basisuitvoering is gratis; voor extra’s, interessant voor organisaties die van hun medewerkers een portfolio willen zien, moet betaald worden. Het e-portfolio is een nieuwe loot aan de Remindo-stam van software-ontwikkelaar Paragin. Wie geïnteresseerd is en een demo-account wil hebben, op voorwaarde feedback te leveren, die kan een reactie op dit weblog achterlaten.

Het laakbare gedrag van opleiders

Drie weken geleden heb ik een negatief oordeel uitgesproken over de landelijke bpv handboeken die men voor de Horeca opleidingen wil invoeren. Daar denk ik nog steeds zo over, maar ik wil wel wat kanttekeningen plaatsen. Woensdag jl. was ik aanwezig bij twee evaluatiebijeenkomsten van de handboeken, één voor de opleiding kok en één voor de opleiding gastvrouw/-heer. Ter voorbereiding waren evaluatieformulieren rondgestuurd, waarin scholen konden reageren op de producten. Van twaalf opleidingen is een reactie binnengekomen, de een wat uitgebreider dan de ander. Tijdens de ochtendsessie waren aanwezig: vertegenwoordigers van twee scholen plus een aantal projectgroepleden, ’s middags dezelfde twee scholen en projectgroepleden. In het ochtenddeel heftige discussie over de kern van mijn kritiek: moet er wel of geen inhoud (=takenoverzicht) opgenomen worden. Als school stonden we behoorlijk alleen, slechts gesteund door de evaluatie van een roc dat hetzelfde denkt als wij. En toen kwam de, voor mij, verbijsterende middag. De schriftelijke evaluaties werden weer doorgenomen en weer werd geconstateerd dat bijna alle respondenten tevreden zijn met de opzet, tevreden over het taalniveau en tevreden met de opdrachten voor de leerlingen. Alleen, in de discussie die zich daarna ontspon, bleek dat minstens drie roc’s dikke opdrachtenboeken met hun leerlingen meegeven zonder daarvan iets in de evaluatie te melden. Later hoorde ik in de wandelgangen ook nog dat één roc, dat zich positief over de boeken had uitgelaten, ze inmiddels al de deur uit heeft gedaan. Wat zegt dit alles? Blijkbaar interesseert het opleiders geen zier wat er landelijk gebeurt op het gebied van één van de belangrijkste onderdelen van de opleiding en zijn ze te dom of te bang om evaluaties eerlijk in te vullen. De opdrachtgever, te weten opleidingsdirecteuren, zou zich eens achter de oren moeten krabben over het gebrek aan draagvlak voor de huidige opzet. Misschien wordt het eens tijd aan de competenties van hun eigen docenten te gaan werken.

Na 533 vinkjes zetten nog niet weten wat je beoordeeld hebt

Of ik er eens naar wilde kijken. En of ik er ook iets van wilde vinden. Vroeg collega B. me een tijdje geleden. Het ging om het landelijk in te voeren Handboek Beroepspraktijkvorming 2010 voor de opleiding kok, dat het opleidingsteam een soort van door de strot geduwd zou krijgen. Hij voelde intuïtief aan dat het niet klopte, maar kon er niet precies de vinger op leggen. Ik heb het spul mee naar huis genomen en de tijd genomen er eens naar te kijken. En ik ben me kapot geschrokken.
Het Handboek bestaat uit twee delen, een ontwikkelingsgericht deel en een kwalificerend deel. In het hoofdstuk Instructie student staat:’ Dit handboek bevat praktijkopdrachten die je in de praktijk kunt uitoefenen of uitvoeren.’ Maar tijdens het doorbladeren vroeg ik me af: ‘Bevat het handboek daadwerkelijk opdrachten die je in de praktijk kunt oefenen?’ Wat ik in het hoofdstuk Opdrachten student aantrof is een opsomming van de prestatie-indicatoren per werkproces uit het kwalificatiedossier. Prestatie-indicatoren zijn daarmee ineens opdrachten geworden. Een prestatie-indicator is echter een beschrijving van het eindniveau dat iemand moet bereiken. De weg die afgelegd moet worden om dat niveau te bereiken, wordt beschreven in de onderwijsinhoud. In het geval van de bpv zijn dat de werkopdrachten of taken. En deze werkopdrachten, de onderwijsinhoud, ontbreken dus volledig.
Het is de wens van het bedrijfsleven om met een uniform handboek te gaan werken. Dit product is inderdaad een uniform product. Maar, het is geen leermiddel, slechts een registratiemiddel. En je kunt je afvragen wat het eigenlijk registreert. Na het zetten van 533 vinkjes kan de leermeester namelijk niet de vraag beantwoorden of zijn leerling ooit een biefstuk gebakken heeft, laat staan of dat goed gebeurd is. Het handboek registreert dus in ieder geval niet wat het pretendeert: ontwikkeling. In de praktijk zal elk roc (de eindverantwoordelijke), of in het slechtste geval elk leerbedrijf, zelf de inhoud gaan bepalen. En daarmee wordt precies bereikt wat niemand wil.
Daar waar publicaties de werkprocessen c.q. prestatie-indicatoren als uitgangspunt voor een leerproces nemen, zijn ze voor het Handboek alleen maar eindpunt. Daar waar gepleit wordt voor contextrijke opdrachten met beoordelingscriteria, zien we in het Handboek alleen een eindniveau geformuleerd. En daar waar reflectie en feedback als een essentieel onderdeel van het leerproces gezien wordt, is in het Handboek de enige vorm van reflectie het vaststellen hoe vaak iets gedaan wordt.
De conclusie kan niet anders zijn dan dat het Handboek Beroepspraktijkvorming ongeschikt is als bpv-werkboek en ongeschikt om de ontwikkeling van leerlingen vast te leggen. En daarmee, en dat is wellicht het ergste, ongeschikt om leerlingen het vak te leren.

De zelfevaluatie, beoordeling is identiek

N.B. Klik hier voor de volledige versie van dit artikel met o.a. vanuit de literatuur de onderbouwing van de stelling Waarom prestatie-indicatoren geen opdrachten zijn.
Klik hier voor het overzicht van de ‘opdrachten’ en een beoordelingsformulier.

Open Yale courses

Net als andere universiteiten en hogescholen heeft Yale university een aantal leergangen voor iedereen toegankelijk gemaakt. De onderwerpen bestrijken zo’n beetje alle vakgebieden en ik denk dat een en ander nog wel uitgebreid gaat worden. Wat ik zo mooi vind aan deze leergangen is de manier waarop ze toegankelijk gemaakt zijn. Elk college is opgenomen en beschikbaar in twee videoformaten, Flash en Quicktime, en als audiobestand (MP3). Daarnaast is van elk college ook de tekst uitgewerkt, dus kun je met de tekst in de hand het college volgen. Ook literatuurverwijzingen en verwijzingen naar gebruikte afbeeldingen en muziek ontbreken niet. Al met al een compleet pakket dus. Doel van de universiteit met dit project is de universiteit internationaal bekender te maken (is dat nodig dan?) en bij te dragen aan het beschikbaar stellen van opleidingsbronnen met behulp van internettechnologie. Een geslaagd project wat mij betreft.

Wat zou het toch mooi zijn als we die mogelijkheden zelf ook zouden hebben. Stukken van mijn lessen zijn gewoon uitleg, verduidelijking van de theorie. Als mijn cursisten dat van te voren zouden kunnen bekijken en beluisteren, dan kan op de lesdag zelf de kwaliteit van de lestijd nog hoger worden. Ze hebben er dan over nagedacht en eventueel vragen opgesteld en er kan daardoor meer interactie plaatsvinden. ‘Huiswerk voor lesdag 5: bekijk de les over eierbereidingen en stel drie vragen die met de uitvoering van de bereidingstechniek te maken hebben.’ Ben benieuwd of ik dit piepkleine stapje op de innovatieweg nog ga meemaken.

Begrip ‘arbeid’ onbekend

Vandaag op school een studiedag gevolgd. Thema: loopbaanbegeleiding. Uitgebreid programma met inventarisatie van wat er, naar men zegt, in de diverse opleidingsteams aan loopbaanbegeleiding gedaan wordt, een aantal good practices uit het roc en een ‘inleider’. Voor ons stond Peter den Boer, lector keuzeprocessen bij ROC West-Brabant. Zijn psychologisch getinte verhaal ging over keuze- en leerprocessen en wat wij als docenten daar mee kunnen. Ik wil het hier hebben over een onderdeel dat in ieder geval mij een nieuw inzicht bracht. Volgens Peter (o.a. eigen onderzoek) is het begrip arbeid niet bekend bij jongeren. Het baantje dat ze hebben is geen arbeid, maar een middel om geld te genereren voor uitgaan, shoppen of vakantie. Wat arbeid werkelijk inhoudt, realiseren ze zich niet. De binding met het begrip is er niet, veel arbeid is ook onzichtbaar. We worden geconfronteerd met de producten van arbeid, niet met de arbeid zelf. Ouders werken wel, maar bijna altijd uit het zicht van de kinderen. Toch bouwen kinderen een referentiekader op m.b.t. beroepen. Alleen gebeurt dat vaak op basis van verkeerde beelden. In mijn vakgebied betekent dat bijv. dat veel jongeren die bij ons de opleiding starten denken dat het koksvak is zoals ze Jamie Oliver op tv bezig zien. Glamour en rock and roll is de uitstraling. Het juiste referentiekader waarbij aangehaakt kan worden, ontbreekt dus. Keuzes, als ze al gemaakt worden, vinden dus vaak op oneigenlijke gronden plaats. Feitelijk betekent dat, volgens Peter, dat leerlingen bij de aanmelding niet met een concrete vraag bij de school aankloppen, maar van de opleiding verwachten te horen waarom ze daar zouden moeten komen. Confrontatie met het beroep en vervolgens op deze ervaringen reflecteren (verwerken) leidt tot arbeidsidentiteit. Voor mij leidde het later tot de conclusie dat dit mechanisme ook voor een deel van de bbl-cursisten geldt. De gedachte heeft altijd geheerst, en nog steeds bleek wel uit diverse discussies, dat een bbl-er bewust voor het betreffende beroep kiest. Maar het kan natuurlijk net zo goed zijn dat hij voor een bbl-opleiding kiest, omdat hij niet meer dan één dag in de week naar school wil, of dat vriendje of vriendinnetje ook op die opleiding zit. En feitelijk net zo gedesoriënteerd is op het beroep als velen van zijn medecursisten.

Beeld uit presentatie Peter den Boer

Angst en onheil

Dit weekend was de landelijke studiedag van de opleiding Cultuurwetenschappen. Thema: angst en onheil. In het ochtendprogramma twee rondes met lezingen en workshops, ’s middags een lezing. In het ochtenddeel heb ik me o.a. beziggehouden met straatliederen. Een genre van nieuwsverspreiding zoals dat eeuwen bestaan heeft tot aan de komst van de moderne massamedia. In de straatliederen waar wij mee aan de gang gingen, wordt verhaald van allerlei rampen die plaatsgevonden hadden: mijnongelukken, mensen verdronken door ijsongelukken, een lied over de ramp met de Titanic en wat liederen over weersomstandigheden waar anno 2010 een zeer zwaar weeralarm voor afgegeven zou worden. En toen ik hier zo mee bezig was, dacht ik bij mijzelf: waarom maken we in het onderwijs nou geen gebruik (voor zover mij bekend) van dit soort werkvormen? In plaats van een saaie werkinstructie of recept op papier uit te werken, kun je cursisten ook uitdagen om die tekst op een pakkende melodie te zetten. Of een schooldag of een dag bpv verwoorden op de wijs van een smartlap. Vele variaties te bedenken.
De lezing ging over het thema en werd gehouden door Maarten van Rossem, een voordracht die zich bewoog in het grensgebied van wetenschappelijke lezing en conference. Het is een genot om die man te horen praten. Zoals gezegd, ging het over angst en onheil. Van Rossem haalde een aantal thema’s aan die het afgelopen decennium voor angst- en onheildreiging hebben gezorgd: de Islamisering van de samenleving, de dreiging van de EU, het internationale terrorisme, de vergrijzing, de NS en nog een paar die ik vergeten ben. Stuk voor stuk werd de aard van de dreiging zoals die door media en politici aan ons opgedrongen wordt uit de doeken gedaan. Daarna werden ze ook weer stuk voor stuk tot de proporties teruggebracht die ze horen te hebben, niet op basis van meningen maar op basis van cijfermateriaal. En dat laatste was soms wel ontluisterend: een hele collegezaal met toch niet al te domme mensen moest vaak het antwoord schuldig blijven op de analytische vragen die Van Rossem stelde. Uit het blote hoofd haalde hij de cijfers en de bronnen waar hij die gevonden had aan. En het merendeel van die bronnen was te vinden op het internet. Op dat moment realiseerde ik me dat we veel te weinig doen om onze leerlingen media- en nieuwswijs te maken. Niet alleen binnen de vakleer, maar ook binnen het domein van de burgerschapsvorming is het gebruik van het internet in te zetten. Niet om alleen maar platte informatie op te zoeken, maar meer nog om opvattingen te toetsen aan die feiten. Het was in meerdere opzichten een leerzame dag.

 

Giotto, Het laatste oordeel (detail)

 

Van het bos en de bomen

Heeft u dat nou ook wel eens? Dat je door dat hele grote bos het zicht op de individuele bomen kwijt bent geraakt? Ik doel op die overweldigende hoeveelheid informatie, maakt niet uit wat, die over je uitgestort wordt. Mij bekruipt dat gevoel als ik kijk naar de ontwikkelingen op ict gebied in relatie tot het onderwijs. Ooit ben ik dit weblog begonnen om over die ontwikkelingen te berichten en vooral om mijn ervaringen op dit gebied met de wereld te delen. Al snel liep ik tegen een paar beperkingen op en de belangrijkste is wat ik maar voor het gemak de ‘cyclische eigenheid’ van het onderwijs noem. Wat ik daar mee bedoel is het volgende. Als ik iets nieuws probeer in mijn onderwijs, dan zal ik dat gedurende een jaar moeten volhouden. Ik kan me niet permitteren mijn leerlingen een continue stroom van vernieuwingen te laten ondergaan. Na dat jaar kan ik de balans opmaken en kiezen om te stoppen of met verbeteringen door te gaan. Vervolgens duurt het dan weer een jaar alvorens ik weer een besluit kan nemen. Een voorbeeld. Een paar jaar geleden ben ik met mijn groepen gestart met een weblog binnen de elo, dat gebruikt werd als portfolio. Het eerste jaar was een wisselend succes, afhankelijk van de groep. Ik besloot om het nog een jaar te proberen, weer een wisselend succes. Inmiddels ben ik drie jaar verder en weet nog steeds niet wat te doen.
En nu dat bos. Als ik de weblogs lees van sommige edubloggers zoals Willem Karssenberg, Wilfred Rubens, Annet Smith, Karin Winters en zo zijn er nog wel een aantal te noemen, dan krijg ik een overload aan instrumenten, programma’s en concepten aangeboden. Je voelt je een kind in een snoepwinkel dat te weinig tassen heeft om alles mee te nemen. Van al die mogelijkheden kan ik er per jaar misschien 2 à 3 uitproberen. En na een jaar? Dan zijn er al weer 52 weken aan mogelijkheden over me uitgestrooid. Laat staan na twee jaar. Zijn de genoemde en andere weblogs daarmee zinloos? Dat is het laatste wat ik wil zeggen, juist dit soort weblogs maken mede vooruitgang in het onderwijs mogelijk.
Maar ik voel me een beetje een Macbeth die zich de voorspelling van één van de heksen herinnert: “Fear not, till Birnam wood do come to Dunsinane”.
Mijn klas is mijn Dunsinane Hill en ik zie Great Birnam Wood recht op me afkomen.