Streven naar optimale didactiek

Deze week zette een blogpost van Wilfred Rubens me weer eens aan het denken. Hij besprak een proefschrift waarin o.a. klassikaal onderwijs en blended leren met elkaar vergeleken werden, alsof het twee gescheiden concepten zijn.  Ik erger me al heel lang aan het gebruik van containerbegrippen die een oplossing voor een probleem zouden moeten leveren. Blended leren, online leren, gepersonaliseerd leren, gedifferentieerd onderwijs, etc. etc. Het zijn termen die duidelijkheid en eenstemmigheid suggereren, maar die in de praktijk multi-interpretabel blijken te zijn, dus onbruikbaar. Ook de gesuggereerde tegenstelling tussen face-to-face onderwijs en on-line of digitaal onderwijs bestaat wat mij betreft niet, alsof digitaal/on-line een panacee voor onderwijsproblemen zou zijn. Continue Reading “Streven naar optimale didactiek”

De afvullijn van de professionaliseringsindustrie in het onderwijs

Deze week kreeg ik de uitnodiging voor een studiedag van ons college. Het onderwerp van de dag is loopbaanbegeleiding. Als ik ga tellen, dan is het de vijfde of zesde studiedag in successie die over loopbaanbegeleiding of begeleiding in het algemeen gaat. Blijkbaar doen we dat heel slecht. Alleen vraag ik me af op grond waarvan dat vastgesteld is. Of blijkbaar is er veel vraag naar. Maar aan mij is in ieder geval niets gevraagd. En bij navraag, bij vele anderen ook niet.

De kritiek op het huidige onderwijs is onder andere gericht op de inrichting volgens de principes die dateren uit het begin van de 19e eeuw. Onder invloed van de industriële revolutie is er gestreefd naar efficiency, gericht op het zo uniform mogelijk opleiden en vormen van leerlingen. De roep van de Verlichtingspedagogen om de ontwikkeling van een kind aan te laten sluiten bij zijn mogelijkheden, is eigenlijk nooit in praktijk gebracht. Pas nu, onder invloed van de technologische mogelijkheden en druk vanuit de samenleving, klinken deze opvattingen weer.

Maar, vraag ik mij af, waarom blijven we de docentprofessionalisering wel nog steeds op een industriële manier inrichten? Ik bevind mij toch op een ander punt in mijn carrière dan anderen? Ik werk toch met andere leerlingen dan collega’s in de reguliere trajecten? Ik heb toch andere ervaringen, opleidingen dan anderen? Ik heb toch behoefte aan andere scholing dan mijn directe collega? Waarom wordt professionalisering vaak uitgevoerd alsof het een frisdrankfabriek is: een stel petflessen die op de lopende band volgestort wordt met dezelfde vloeistof? Of moet er soms voldaan worden aan het professionaliseringsgebod: Gij zult afgevuld worden met de door ons bepaalde substantie! De beheersbare proceslijn in optima forma en ook nog makkelijk ergens te registreren. En, er kan dan ook weer een vinkje gezet worden bij een van de managementafspraken: er is geprofessionaliseerd.

De vorige studiedag stond in het teken van kennisuitwisseling, een prachtig concept dat vaker binnen ons roc gebruikt wordt. Blijkbaar was er binnen ons college geen kennis te vinden die uitgewisseld kon worden, want we werden weer in twee workshops gestopt. Er is altijd wel een bureautje te vinden die dat klusje voor je opknapt. Jammer voor mij dat het om workshops ging die ikzelf ook geef. Maakt niet uit, dzjing! de vink kon weer gezet worden.

Maar ik wil niet meer naar bijeenkomsten waar ik bijna niets leer en die obligaat  besloten worden met het heffen van het glas, het doen van etc. Ik wil leren hoe ik mijn onderwijs vorm en inhoud kan geven, zodat het voldoet aan de eisen van de 21e eeuw. Ik wil weten welke vergezichten er zijn op onze samenleving over 5 à 10 jaar, zodat ik daarover met mijn leerlingen in gesprek kan gaan. Voor die samenleving leid ik hen namelijk op. Ik wil de mogelijkheid hebben om aan mijn eigen taakstelling van minimaal drie presentaties per jaar geven toe te komen, een activiteit waar ik veel van leer. Ik wil naar bijeenkomsten waar ik o.a. mensen uit het po en vo ontmoet, om kennis en ervaringen uit te wisselen. Ik wil erkenning voor het feit dat ik wekelijks 1 uur scholing in mijn twr schrijf voor het lezen van weblogs en informatie die ik via Twitter aangereikt krijg. Ik wil scholingsruimte om verbeteringen binnen mijn onderwijs te kunnen realiseren, daar heb ik onderzoeks- en experimenteertijd voor nodig. Maar ik ben opgehouden te willen in een lerende organisatie te werken.

Een goede leraar ben je nooit in mijn ogen, je bent altijd op weg er een te worden. En daar is o.a. professionalisering voor nodig, toegesneden op eigen mogelijkheden en wensen. Afgevulde petflessen horen in het schap in de supermarkt.

Mogelijkheden binnen digitale didactiek

Morgen ben ik bij de collega’s van Pedagogisch Werk, onderdeel van het Welzijn College. Dit bezoek is een uitvloeisel van een presentatie die ik in april met een collega gaf tijdens de studiemiddag Leren Digitaliseren. We hebben toen laten zien hoe alle onderdelen van het didactisch proces digitaal aan te bieden zijn, met een koppeling naar de beleidsdocumenten. Mij werd gevraagd het praktische deel nog een keer te laten zien bij de opleiding PW, omdat daar de digitalisering van het onderwijsleerproces nog niet zo doorgedrongen is. Ik laat alleen maar dingen zien die zich in mijn onderwijspraktijk bewezen hebben, dus geen verhalen over utopische mogelijkheden. En indachtig de woorden van de pedagoog Ligthart (de beste school is die waar de meester het minst en de leerling het meest doet) benader ik digitale didactiek als activerende didactiek. Ik heb maar een halfuurtje, dus het wordt aanpoten om voldoende te laten zien. Dus ik zal zelf wel het meest actief zijn, over activerende didactiek gesproken. Mijn verhaal eindigt in ieder geval met een paar raadgevingen over hoe ze ’t aan zouden kunnen pakken om er mee aan de gang te gaan. Ik hoop dat ik ze kan inspireren.

Edubloggersspeld
Edubloggersspeld

Bijzonder is wel dat het de eerste gelegenheid is om de Edubloggersspeld te dragen die vanavond uitgedeeld is op het Edubloggersdiner. De Edubloggers  kunnen niet vaak genoeg gepromoot worden.

Examinering in de bpv

Vrijdag jl. was ik op de conferentie ‘Examineren in de bpv: knelpunten en oplossingsrichtingen‘. Dat het een hot item in het mbo is, bleek uit het feit dat het congres binnen de kortste tijd volgeboekt was en de herhalingsdag die door het Servicepunt examinering mbo op 21 juni georganiseerd wordt ook al.

De inleiding werd verzorgd door Tamara van Schilt, die de aangename taak had de diverse dilemma’s rond het onderwerp te benoemen zonder de oplossing te hoeven geven. Haar voorspelling dat ze allemaal wel op de een of ander manier in de workshops terug zouden komen, klopte helemaal. Marleen van de Wiel van het Servicepunt inventariseerde vervolgens de opvattingen in de zaal aan de hand van 24 stellingen. Middels stemkastjes ging dat razendsnel. Stellingen, uitslagen en presentaties worden op de site van het Servicepunt gepubliceerd.
Tijdens het behandelen van de stellingen, en later ook in het gesprek met vertegenwoordigers van inspectie en ministerie, werd melding gemaakt van het feit dat de inspectie nogal wat opleidingen aangetroffen had waarvan de examinering ‘onder de maat’ was. Het blijken er 82 te zijn. Ik denk dat het er in realiteit veel meer zijn. Ik schrok er van en het verwonderde me dat daar verder niet meer bij stilgestaan werd. Dit zegt toch iets over de kwaliteit van docenten, examencommissies en management? Ik zou er graag wat stellingen over willen formuleren.

Workshops

In drie workshoprondes kon een keuze gemaakt worden uit twaalf onderwerpen. In de eerste ronde verzorgde ik samen met collega E. een presentatie waarin we uit de doeken deden hoe en op grond waarvan wij het examentraject voor de defensieleerlingen vorm hebben gegeven. Bij het ontwerp zijn we van een aantal ontwerpprincipes uitgegaan, principes waarvan we dus vonden dat die zichtbaar moesten zijn in het examentraject: de leercyclus (plannen, uitvoeren, observeren, reflecteren, beslissen), toenemende complexiteit, opleiden en examineren zijn parallelle processen, dialoog leermeester – leerling, het eindpunt (examenplan) moet het startpunt zijn. Daarna hebben we de instrumenten laten zien die we ontwikkeld hebben om het traject vorm en inhoud te geven. De twee andere sessies die ik bijgewoond heb, verschilden qua opzet eigenlijk niet met die van ons. De verschillen zaten in sommige uitgangspunten en keuzes die gemaakt zijn. Opvallend was wel dat de groene sector de handen ineengeslagen hebben, wat kwaliteits- en efficiencywinst oplevert. Kunnen roc’s een voorbeeld aan nemen.

Hamvraag

De hamvraag was natuurlijk: wel of niet examineren in de bpv? Aan het begin van de dag gaf ik hier een volmondig ja als antwoord. In de loop van de dag veranderde dat. Het begrip standaardisatie van toetsing en het door elkaar gebruiken van de termen bpv en werkplek brachten mij aan het twijfelen. Standaardisatie vereist gelijke toetsen, beoordeling en omstandigheden waarin die toetsing plaatsvindt. Bpv en werkplek vallen blijkbaar niet altijd samen: voor leerlingen die de bbl (voor niet-ingewijden: beroepsbegeleidende leerweg, 4 dagen werken, 1 dag naar school) volgen wel; voor de bol (beroepsopleidende leerweg, stage) niet altijd en voor mijn eigen extraneï helemaal niet. Maar vanuit welk perspectief moet je die standaardisatie bekijken? Alle leerlingen in dezelfde ruimte, met dezelfde beoordelaars en met dezelfde outillage? Vanuit de toets gezien ideaal. Maar vanuit de leerling gezien? Die doet examen in een ruimte waar hij niet is opgeleid en waar hij de weg niet kent. Hoe standaard is dat? Maar als je examen laat doen in het leerbedrijf, is er dan nog sprake van standaardisatie? Ik zou zelf het leerproces van de leerling als uitgangspunt nemen, dus daar examineren waar hij het grootste deel van zijn beroepsopleiding heeft genoten.
Dit dilemma bracht mij tot de volgende stelling: standaardisatie van toetsen staat op gespannen voet met toetsen op de werkplek.

“Leren digitaliseren laat je inspireren”

digi didactiekOnder deze titel werd afgelopen vrijdag een studiemiddag rond digitale didactiek voor de medewerkers van ons roc georganiseerd. De dag heeft al een rijke historie: ooit in 2003 begonnen als jaarlijkse Blackboardgebruikersdag is nu het accent komen te liggen op de toepassing van ict in het didactisch proces. Een mooi initiatief van de werkgroep.

De opening werd verzorgd door Marcel de Leeuwe, die een goed verhaal hield over de zin en onzin van e-leren. Lekker realistisch en een zeer goede raad: prik door al het opgeblazen taalgebruik heen, laat je niet overdonderen door holle praatjes. Een bijzonder moment was het tonen van een filmpje dat door een van mijn leerlingen gemaakt is en dat Marcel gebruikt om aan te tonen dat ict wel degelijk onderdeel van de leefwereld van onze cursisten is. Na de opening volgden drie workshoprondes van een halfuur die zo ingericht waren dat beginnende en gevorderde gebruikers van ict in het onderwijs aan hun trekken kwamen. Zelf verzorgde ik met een collega een workshop van een uur. Daarin toonden we, aan de hand van mijn dagelijkse lespraktijk, dat bijna alle onderdelen van het didactisch proces digitaal aan te bieden zijn. Bij de diverse fases in het proces maakten we de link naar de beleidsdocumenten van ons roc t.a.v. onderwijsstandaarden en digitale didactiek. Dagdagelijkse praktijk verantwoord vanuit het beleid dus. Al met al weer een prachtige middag.

Hoe verder?

Deze middag merkte ik dat er een groeiende behoefte is aan praktische workshops op het gebied van: hoe doe je dat nou? Hopelijk vindt deze dag een vervolg in een soort rondreizende workshopcarrousel waarin allerlei korte en praktische trainingen gegeven worden. Dan kunnen we echt vooruit.

De c-knop

Tijdens de koffie voorafgaand aan de opening meldde ik mijn co-presentator dat ik mijn c-knop op uit had gezet. Ik ken mezelf, ik wil nog wel eens cynisch uithalen. Behalve een paar kleine uitglij-momenten heb ik me keurig gedragen. Ik heb dus niets gezegd over een aantal dingen die me die dag opgevallen zijn. Maar ik wil ze toch kwijt.

  • Op de locatie waar de bijeenkomst gehouden werd, huizen één collegedirecteur en drie afdelingsmanagers die zich bezighouden met opleidingen in de gastvrijheidindustrie. Niemand was aanwezig om alle deelnemers welkom te heten op de locatie.
  • Ik weet wat de stand van zaken is op het gebied van digitale didactiek bij ons in de afdelingen; dat is voor een groot deel nog een dorre woestijn. Ik was de enige docent van de afdelingen Horeca en Service die aanwezig was.
  • Van de organisatoren begreep ik dat er 110 aanmeldingen waren. Ik schat dat bij de start 20 à 30 aangemelden niet aanwezig waren. Ik vraag me dan af: hoe doen die mensen dat als hun leerlingen niet op komen dagen zonder zich af te melden? Vinden ze dat normaal?
  • Bij de afsluiting waren er ook weer een zo’n 20 à 30 verdwenen. Ik vraag me dan af: wat vinden deze mensen er van als een deel van hun leerlingen vóór het einde van de les zonder iets te zeggen verdwijnt?  Vinden ze dat normaal?

Zo, nu mag de c-knop weer op aan.

 

 

Nazomeren in de kenniscarrousel van Woerden

Voor de zomervakantie schreef ik over de dynamische kenniscarrousel die in een futuristisch eLab in Breda gehouden werd. Het vervolg werd ook aangekondigd en dient zich inmiddels aan. Op woensdag 26 september worden nieuwe rondjes gedraaid in Woerden, waar we te gast zijn bij Station to Station. Op dit moment zijn er drie sprekers bekend. Michel Boer, werkzaam in het po, gaat uitleggen wat het model TPACK inhoudt. Het kan je helpen bij het gebruik van ict in je onderwijs. Frans Droog laat een paar voorbeelden zien van hoe hij ict in zijn vo klassen gebruikt. En op verzoek van de zaal, ‘Roept u maar’, diept hij een of meerdere onderwerpen uit. Ikzelf laat zien hoe ik foto- en videomateriaal inzet bij voorbereiding op, instructie in en reflectie op de praktijklessen. Een mooie gelegenheid om allerlei leuke mensen te ontmoeten en kennis en ideeën op te doen En het kost ook nog niks. Inschrijven kan op de wiki. DOEN!

Kenniscarrousel

Het futuristische eLlab van Innofun in Breda was het toneel voor inspirerende onderwijsverhalen. Lente in het onderwijs organiseert door het land heen kenniscarrousels die tot doel hebben ervaringen uit te wisselen over het gebruik van ict in het onderwijs. Wat glashelder begint te worden is dat het gebruik van ict in het onderwijs niet meer beperkt kan worden tot ict in de klas, maar dat het onontkoombaar is dat het om ict bij het binnen- en buitenschoolse leren gaat. Het gebruik van sociale media is daarbij een voorwaarde. Zo’n 35 mensen uit po, vo, mbo en hbo verzamelden zich gisteren om te luisteren naar en te genieten van de ervaringen van vier sprekers.

@Fish3Chips liet in duizelingwekkende vaart zien op welke manier hij in zijn lessen Engels gebruik maakt van ict en vooral Twitter. Reminders voor toetsen, cijfers, uitleg, opdrachten e.d. buiten de les. Binnen de les gebruikt Gijs o.a. Twitter voor het overhoren van idioom, grammatica uitleg en opdrachten en korte schrijfopdrachten. De resultaten die de leerlingen insturen worden allemaal zichtbaar op het digibord. Opvallende uitspraak: met sociale media kun je in de klas differentiëren.

@meesterralph weidde uit over het belang van ict in het po: de leerlingen moeten basisvaardigheden leren en leren hoe ze om moeten gaan met middelen en programma’s, mediawijsheid dus. Hij liet een prachtig filmpje zien dat gemaakt is door een jongetje van 10-11. Die heeft in Paint 162 tekeningen gemaakt en die vervolgens met behulp van een programma tot een animatie gesmeed: De kringloop van water. Opvallende uitspraak: we moeten de kinderen helpen van analoog naar digitaal te gaan.

@Sjaboepaan nam ons mee door een woud van programma’s waar je geen account voor aan hoeft te maken. Hij was het zat, en waarschijnlijk de kinderen met hem, om iedere keer de drempel van een account aanmaken te moeten nemen. Hij liet zien op welke manier leerlingen aan de gang gingen om zelfstandig maar ook samen te werken. Erwin vindt het belangrijk dat leerlingen zelf dingen kunnen construeren. Opvallende uitspraak: leerlingen gaan en kunnen zelf keuzes maken én bedenken.

@warempel is de bedenker van een ict-project dat ze uitgevoerd heeft in haar groep 7-8. Om de lessen aardrijkskunde en grote steden wat aantrekkelijker te maken, bedacht ze Reisbureau Beartravel dat reisadviezen moest geven aan consumenten die een bepaald stad wilden bezoeken. De leerlingen waren degenen die de adviezen opstelden over reis en verblijf, maar ook ontspanningsmogelijkheden. Juf Tessa heeft met het project de derde prijs gewonnen in de wereldfinale van het Innovative Education Forum. Geweldige prestatie! Ze liet ook zien waar ze nu mee bezig is: een project rond de Transsiberië express. Opvallende uitspraak: ik ben een Apple gelovige.

De presentatie met de vele toepassingen van @Fish3Chips vind je hier, die van @meesterralph hier, die van @Sjaboepaan hier en die van @warempel hier. De websites van de sprekers is te bereiken via hun twitteraccount of op de wiki van Lente in het onderwijs.

Resultaat van de avond: de vier sprekers kregen de eretitel Onderwijziger, een aantal Twittercontacten in levende lijve ontmoet, nieuwe contacten opgedaan en geen gelegenheid genomen om het eLab van Innofun te ontdekken. Al met al een avond met heel veel voorbeelden om het onderwijs aantrekkelijker, boeiender, uitdagender en efficiënter te maken voor zowel leerling als leraar.

Volgende kenniscarrousel is in het najaar en wordt in het midden van het land gehouden.

Memories are made of this …

Nee, ik ga het niet over Dean Martin hebben. Wel over één van de pijlers onder het beroep van kok, het vak waar ik mijn leerlingen voor opleid. Productkennis is essentieel. Als je niet weet wat je product is, kun je ook niet de juiste technieken, bewerkingen, smaakcombinaties, etc. toepassen. Maar het is vaak platte kennis waar het om gaat. In de theorieles besteed ik er aandacht aan door bijzonderheden te vertellen, iets over geschiedenis en herkomst, dat soort dingen. Aan het begin van de praktijkles start ik met productherkenning. De leerlingen moeten dan 10 producten zien te herkennen, producten die een rol spelen in de praktijkles van die dag of die al een keer aan de orde geweest zijn. Vervolgens bespreek ik ze met hen. Ik doe dat tijdens 20 lessen, dus er komen alleen dan al 200 verschillende producten voorbij. Slechts een deel van wat er gedurende het jaar in de theorie en praktijk behandeld en gebruikt wordt. Kortom, het is veel en lastig te leren. Het is een onderdeel waar het memoriseren en reproduceren belangrijke activiteiten zijn en waar de vergeetcurve geheid toeslaat. Op zoek naar instrumenten om de leerlingen te helpen dus. Eisen die ik stelde: digitaal, snel te produceren en tot in het oneindige te herhalen door de leerlingen. Een memory spel  leek mij aan de twee laatste eisen te voldoen en de eerste zou al wel ergens gerealiseerd zijn. Mijn persoonlijke zoekmachine geactiveerd en binnen de kortst mogelijke tijd had ik een programma om spellen te maken. Maar, net als bij de tweede, gedoe met aparte software, plaatjes en weet ik veel wat nog meer. De derde was raak. Op memoryspelen kun je binnen een paar minuten een memory spel maken, mits je je woorden, begrippen, afbeeldingen e.d. klaar hebt staan. En met dezelfde input kun je er ook een sleepspel mee maken. De eerste paar spellen heb ik al geplaatst en er vanuit de elo naar gelinkt. Probeer de verdeling van het rund in beeld en begrip en de productherkenning vis als sleepspel maar eens. Kun je nog wat van leren.

Het lentegevoel van een menigte leraren met lef

Vanochtend zag ik de volgende tweet van @fransdroog:

Hoeveel leden van #TheCrowdNl zijn ook ‘lid’ van #LerarenMetLef ?#onderwijs Zie laatste commentaar bij: linkedin.com/groups/Hadden-

Een interessante vraag gezien reacties op de bijeenkomst van de Leraren met lef op 14 april in Utrecht. Maar eens naar de discussie in de betreffende Linkedin groep gesurfd. Opvallend vind ik dat er meerdere keren gewezen wordt op het feit dat het allemaal nogal algemeen geformuleerd is, maar dat er nergens iets concreets verwoord staat. Met ander woorden: wat is nu een leraar met lef? Wat maakt nu die lente? Om maar weer eens terug te gaan naar mijn didactiek/methodiek lessen die ik op de Pedagogische Academie volgde: ‘Operationeel maken die doelstellingen, dames en heren!’ Ik zal een poging wagen om een en ander te concretiseren op basis van mijn eigen ervaring als leraar in het mbo. Mijn uitgangspunt is: wat je van je leerlingen verwacht, moet je minimaal van jezelf verwachten. Dat betekent dat ook ik op tijd ben, mijn lessen voorbereid, mijn leerlingen zal verwittigen als ik er een keer niet zou zijn. Maar dit is een soort basaal kwaliteitsniveau. Welke doelstellingen stel ik mij nog meer?

  1. Verander jaarlijks van 10% van je lessen de werkvorm. Experimenteer daarbij met minstens één voor jou nieuwe vorm. Het voorkomt de automatische piloot en de methodenslavernij.
  2. Stel je jaarlijks op de hoogte van tenminste één nieuwe ontwikkeling. Aan het eind van je onderzoeksperiode weet je of je het kunt e/o wilt gebruiken in je onderwijs. Ik verdiep mij op dit moment in het verschijnsel augmented reality en wil over een paar maanden antwoord hebben op de gestelde vraag.
  3. Onderbouw elke grote verandering in je onderwijs met argumenten. Verantwoord je tegenover anderen. Impulsief gedrag leidt tot ongelukken.
  4. Deel je ervaringen jaarlijks met anderen op een daarvoor bestemde bijeenkomst, liefst éénmaal intern en éénmaal extern.
  5. Houd aan het eind van het jaar een anonieme enquête onder je leerlingen. Stel daarin jouw functioneren als leraar en je onderwijs aan de orde. Vraag naar de ervaringen van de leerlingen met de voor jou nieuwe elementen. Zelf neem ik een paar weken voor de laatste lesdag een enquête af via de elo. Voor het beantwoorden van de vragen geef ik ze 2 à 3 weken en moeten ze thuis doen.
  6. Verzorg éénmaal per jaar een les of presentatie met iemand anders. Vraag gerichte feedback aan haar of hem. Gerichte feedback kan aan de hand van aandachtspunten die je van tevoren opstelt.
  7. Volg drie weblogs op het gebied van onderwijs. Je blijft daarmee op de hoogte van de ontwikkelingen die anderen signaleren.

Of dit het lentegevoel van een menigte leraren met lef op gaat leveren weet ik niet.  Of het een bruikbaar lijstje is voor anderen kan ik niet beoordelen. Het zijn in ieder geval doelstellingen die mij voortdurend bezighouden.

Zijn standaarden wel echt standaarden?

Het ministerie van onderwijs heeft een nieuwe Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2012 gepubliceerd. Met dank aan Jaap Bosman voor zijn tweet hierover. Het betreft standaarden om de kwaliteit van de examens in het mbo te waarborgen. Het document vervangt de oude Regeling uit 2009, maar is inhoudelijk niet veel gewijzigd.

Toen ik het document aan het doorlezen was, vielen me twee dingen op. Standaard 1 (er zijn er drie) Het exameninstrumentarium sluit aan op de uitstroomeisen en voldoet aan de toetstechnische eisen kent o.a. de indicator Dekking van het kwalificatiedossier. Daar wordt aangegeven dat meer dan driekwart (minimaal 76% dus) van de werkprocessen per kerntaak geëxamineerd moet worden. Dat betekent dat bij kerntaken van vijf of meer werkprocessen er één of meer niet geëxamineerd hoeven te worden. Voorbeeld: kerntaak 4 van het dossier leidinggevende keuken kent dertien werkprocessen, daarvan kunnen er dus drie komen te vervallen! Ik vind dat veel.

Bij dezelfde standaard de indicator Beoordelingswijze. In de beschrijving staat het volgende: “Het exameninstrumentarium is voorzien van een beoordelingsvoorschrift dat een zo objectief mogelijke beoordeling waarborgt. Dit betekent dat de beoordelaar de gegeven waarderingen conform het beoordelingsvoorschrift herleidbaar kan onderbouwen.” Volgens mij staat er dat je bij een gegeven oordeel, voldoende of onvoldoende, moet kunnen verantwoorden waarom het een voldoende of onvoldoende is. Recent kreeg ik een beoordelingsmodel voor een proeve van bekwaamheid onder ogen. Hierin werden  de prestatie-indicatoren uit het kwalificatiedossier  als de beoordelingspunten gebruikt. En die moesten dan voldoende of onvoldoende gescoord worden. Dat was het. Geen onderbouwing mogelijk dus. En elke prestatie-indicator telde even zwaar mee in het eindoordeel.
In januari heb ik een blogpost gewijd aan het landelijk in te voeren bpv-boek voor diverse Horeca-opleidingen. Daarin meldde ik dat er helemaal geen beoordelingspunten in staan aan de hand waarvan je kunt beoordelen; de opleider kan alleen scoren of aan de prestatie-indicator voldaan is of niet. Indien daar onvoldoende gescoord wordt, kan dus niet herleid worden waarom dat onvoldoende is. En er kan al helemaal niet herleid worden wát er beoordeeld is. Zelfde verhaal dus als het beoordelingsmodel voor de proeve hierboven. Nu wil het geval dat het betreffende bpv-boek gepresenteerd werd met de mededeling dat het inspectieproof zou zijn. Maar diezelfde inspectie is ook toezichthouder op het naleven van de standaarden. Ik kan geen andere conclusie trekken: there’s something fishy going on.