De nieuwe kleren van het mbo

Het de laatste paar weken wat opgerakelde stof rond het mbo is inmiddels weer neergedaald. Aanleiding was de kamerbrief van 2 juni jl. van minister Bussemaker over de toekomst van het mbo, onder de titel: Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo. In de Volkskrant van 13 mei stond al een vooraankondiging: ‘Niks mis met het mbo, daarom moet het anders’. In dezelfde krant stond op 2 juni, tegelijkertijd met het verschijnen van de kamerbrief, een interview met de minister, waarin de maatregelen om een aantal problemen aan te pakken aan de orde kwamen. Op 5 juni volgde een ingezonden brief van een ouder die middels haar kind een jaar ervaring met het mbo opgedaan had en Aleid Truijens deed in haar wekelijkse column van 7 juni ook een obligate duit in het zakje. De prijs voor de meest bijzondere publicatie gaat wat mij betreft naar de advertentie die de STC-Group in diezelfde Volkskrant van 7 juni plaatste.

Waar gaat het allemaal om? Kort gezegd heeft volgens velen het mbo een imagoprobleem bij schoolverlatende vmbo-ers en hun ouders, is het mbo voor de zittende leerlingen niet uitdagend genoeg en sluiten mbo-opleidingen niet goed aan bij wat het bedrijfsleven wil. De minister stelt een aantal maatregelen voor, waar ik er een paar van noem:

  1. De route naar het hbo moet versneld worden, zodat het mbo concurrerender wordt met het havo. De opleidingen worden daarvoor intensiever, het aantal lesuren gaat van 850 naar 1000. Daardoor worden mbo-ers ook meer uitgedaagd. Opleidingen worden verkort van 4 naar 3 jaar.
  2. Regionale accenten in opleidingen worden mogelijk, maatwerk dus.
  3. Potentiële leerlingen wordt duidelijk gemaakt waar de meeste kansen op werk bestaan, zodat er minder voor werkloosheid opgeleid wordt. Voor jongeren zonder vooropleiding wordt een entree-opleiding gestart.
  4. Er komt een verplichting om gebruik te maken van gecertificeerde examenleveranciers.

Ik zal me beperken tot de actualiteit en niet uitweiden over de oorzaken van de geconstateerde malaise.

Allereerst de titel van de brief: Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo. Deze lijkt verdacht veel op het Focus op vakmanschap van de vorige minister. De indruk wordt gevestigd alsof de minister grote waardering heeft voor het vakmanschap an sich, daar zelfs prioriteit aan geeft. De minister wil geen verspilling van vaktalenten die naar het havo gaan i.p.v. naar het mbo. De realiteit is echter anders. Door de toegenomen invloed van de overheid, onder het motto wie betaalt bepaalt, is het belang van het vakmanschap juist teruggedrongen. Het is diezelfde minister die de toegang tot gediplomeerd vakmanschap ernstig bemoeilijkt heeft. Het duidelijkst is dat nu al zichtbaar in de niveau 4 opleidingen: je kunt nog zo’n goede vakman zijn, als je niet voldoet aan de criteria voor rekenen en Nederlands, is dat vakmanschap niets waard. Geen diploma. En dat gaat op termijn ook gelden voor niveau 2 en 3 opleidingen. In een bericht van de vo-raad van 2 juni jl. (bizar toeval) staat de volgende opmerking: ‘De VO-raad krijgt signalen dat mbo-instellingen bij de toelating van vmbo-leerlingen nu al kijken naar de uitslag van de rekentoets. Bij een onvoldoende worden leerlingen in een lager niveau geplaatst of geweigerd voor opleidingen.’ En de minister maar krokodillentranen plengen over het verspillen van talent. Door diezelfde toegenomen invloed van de overheid is de invloed van de bedrijfstakken en branches afgenomen, in sommige gevallen tot 0. De kenniscentra zijn/worden geliquideerd en een identiteitsloos SBB blijft over. Vakmanschap en kennis van vakmanschap worden gereduceerd tot een procedurefabriek.

Een ander aandachttrekkend punt is de verhoging van de urennorm naar 1000 lesuur, waardoor het mbo uitdagender zou worden. Ik vraag me af waar deze redenering op gebaseerd is. Als scholen/docenten er niet in slagen die 850 uur interessant te maken, hoe doen ze dat dan wel met die 1000? De ingezonden brief van de ouder die bewust voor het mbo gekozen heeft, spreekt wat dat betreft boekdelen. Blijkbaar is er op didactisch gebied nog een wereld te winnen.  Met het binnenslepen van vakmensen heb je nog geen goede docenten in huis, dat zijn twee verschillende dingen.

De verplichting van gecertificeerde examenleveranciers is ook een groot pijnpunt. Velen zijn nog niet bekomen van het trauma van de KCE-politie. En nu dreigt weer hetzelfde te gebeuren. Instituten vol met onderwijskundigen gaan ons vertellen hoe en wat we moeten examineren. Onderwijskundigen die misschien verstand hebben van onderwijskunde, maar m.b.t. onderwijs alleen consumentenervaring hebben. En daarbinnen geen enkele ervaring met mbo. Ik denk dat de advertentie van de STC-Group, vijf dagen na verschijnen van de kamerbrief, illustratief en uniek is. Deze kennis- en onderwijsinstelling op het gebied van scheepvaart, logistiek en procesindustrie luidt de noodklok als het gaat om deze verplichting. De cvb-voorzitter verwoordt het als volgt: ‘Dat betekent wederom een verzwaring van de administratieve lastendruk, een degradatie van het beroep van docent en zou voor de STC-Group een verlaging van de kwaliteit betekenen.’ Maar ja, ook hier is de kans groot dat er niet naar de klant geluisterd wordt.

Tot slot het voorstel om over vak- en beroepsonderwijs te gaan spreken. Toen ik begon in het mbo, gaf ik les op een streekschool waar de huidige niveau 2 en 3 opleidingen gegeven werden, met in een aantal vakrichtingen, veelal in de avonduren, een niveau 4 opleiding. Alles in deeltijd, bbl, een opleidingsvorm die in het denken van de minister niet bestaat. De voltijdsopleidingen werden allemaal verzorgd door de mts, mho, mtro, etc., allemaal middelbaar …. onderwijs. In de jaren 90 moest dat allemaal bij elkaar gestopt worden, niemand in het mbo die daar op dat moment op zat te wachten. En nu gaan we, deels, weer terug naar die situatie. Waarbij de hamvraag natuurlijk is, wat het verschil is tussen een vak en een beroep.

Het mbo gaat weer eens nieuwe kleren krijgen. Die kleren zijn echter niet zo nieuw en, wat erger is, voor een deel ook helemaal niet passend. Maar daar zal de minister zich niet om bekommeren, het zijn namelijk niet háár kleren.

De nieuwe kleren

Masterclass ‘Je personeel een mes in de rug steken!’

Vanochtend stond dit stukje in het AD.

pesten

Het zijn van die berichten die mijn ontbijt verstieren. Ik moest direct denken aan de betrokken onderwijzer: je handelt vanuit je pedagogische opdracht en dit is dan het effect, wat moet je je dan verraden voelen. Ik maakte een foto van het bericht en plaatste deze op twitter met de tekst: Nou, deze onderwijzer ben je dus kwijt, prutsers. Blijkbaar was ik niet de enige die geraakt was door het onrecht dat geschied was. Het bericht werd binnen 1,5 uur bijna 100× geretweet. Alle reacties die ik daarnaast kreeg waren instemmend. Ik vroeg mij af waar deze grote mate van instemming in zo’n korte tijd vandaan kwam. Ik zal het proberen te duiden aan de hand van mijn eigen overwegingen.

  • Afgaand op het bericht lijkt het of de daders beloond worden en de ‘redder’ van de kinderen gestraft; een sterk gevoel van onrecht overheerst.
  • Het gezag dat deze onderwijzer bij kinderen heeft, wordt hem ontnomen door een excuusbrief te moeten schrijven aan de daders. Dit grijpt diep in in je professionele integriteit.
  • Het vertrouwen dat je als leidinggevende en personeel onderling moet hebben om een organisatie draaiende te houden is helemaal weg. Achterdocht t.o.v. de directeur zal de grondhouding zijn.
  • Ik vermoed dat ouders OM en politie ingeschakeld hebben, bizar dat zij het de onderwijzer kwalijk nemen dat hij de pedagogische taak vervult die zij verzaken. Hoe zouden zij reageren als hun eigen prinsje of prinsesje slachtoffer van pesten zou zijn?
  • Deze onderwijzer is verloren voor het onderwijs, in ieder geval onderwijs waar ouders direct bij betrokken zijn.
  • Iemand 1,5 week op non-actief zetten voor zo’n handeling, er worden mildere straffen gegeven voor zwaardere vergrijpen. Ook hier gevoel van onrecht.
  • Ik schat in dat deze directeur die 1,5 week op non-actief inhoudt op het salaris.
  • Het beroep van onderwijzer wordt er niet aantrekkelijker door; maar gelukkig leest de jeugd van tegenwoordig niet zo vaak de krant meer.

Wil je je beroepsgroep in diskrediet brengen? Volg dan deze masterclass!

 

 

 

De afvullijn van de professionaliseringsindustrie in het onderwijs

Deze week kreeg ik de uitnodiging voor een studiedag van ons college. Het onderwerp van de dag is loopbaanbegeleiding. Als ik ga tellen, dan is het de vijfde of zesde studiedag in successie die over loopbaanbegeleiding of begeleiding in het algemeen gaat. Blijkbaar doen we dat heel slecht. Alleen vraag ik me af op grond waarvan dat vastgesteld is. Of blijkbaar is er veel vraag naar. Maar aan mij is in ieder geval niets gevraagd. En bij navraag, bij vele anderen ook niet.

De kritiek op het huidige onderwijs is onder andere gericht op de inrichting volgens de principes die dateren uit het begin van de 19e eeuw. Onder invloed van de industriële revolutie is er gestreefd naar efficiency, gericht op het zo uniform mogelijk opleiden en vormen van leerlingen. De roep van de Verlichtingspedagogen om de ontwikkeling van een kind aan te laten sluiten bij zijn mogelijkheden, is eigenlijk nooit in praktijk gebracht. Pas nu, onder invloed van de technologische mogelijkheden en druk vanuit de samenleving, klinken deze opvattingen weer.

Maar, vraag ik mij af, waarom blijven we de docentprofessionalisering wel nog steeds op een industriële manier inrichten? Ik bevind mij toch op een ander punt in mijn carrière dan anderen? Ik werk toch met andere leerlingen dan collega’s in de reguliere trajecten? Ik heb toch andere ervaringen, opleidingen dan anderen? Ik heb toch behoefte aan andere scholing dan mijn directe collega? Waarom wordt professionalisering vaak uitgevoerd alsof het een frisdrankfabriek is: een stel petflessen die op de lopende band volgestort wordt met dezelfde vloeistof? Of moet er soms voldaan worden aan het professionaliseringsgebod: Gij zult afgevuld worden met de door ons bepaalde substantie! De beheersbare proceslijn in optima forma en ook nog makkelijk ergens te registreren. En, er kan dan ook weer een vinkje gezet worden bij een van de managementafspraken: er is geprofessionaliseerd.

De vorige studiedag stond in het teken van kennisuitwisseling, een prachtig concept dat vaker binnen ons roc gebruikt wordt. Blijkbaar was er binnen ons college geen kennis te vinden die uitgewisseld kon worden, want we werden weer in twee workshops gestopt. Er is altijd wel een bureautje te vinden die dat klusje voor je opknapt. Jammer voor mij dat het om workshops ging die ikzelf ook geef. Maakt niet uit, dzjing! de vink kon weer gezet worden.

Maar ik wil niet meer naar bijeenkomsten waar ik bijna niets leer en die obligaat  besloten worden met het heffen van het glas, het doen van etc. Ik wil leren hoe ik mijn onderwijs vorm en inhoud kan geven, zodat het voldoet aan de eisen van de 21e eeuw. Ik wil weten welke vergezichten er zijn op onze samenleving over 5 à 10 jaar, zodat ik daarover met mijn leerlingen in gesprek kan gaan. Voor die samenleving leid ik hen namelijk op. Ik wil de mogelijkheid hebben om aan mijn eigen taakstelling van minimaal drie presentaties per jaar geven toe te komen, een activiteit waar ik veel van leer. Ik wil naar bijeenkomsten waar ik o.a. mensen uit het po en vo ontmoet, om kennis en ervaringen uit te wisselen. Ik wil erkenning voor het feit dat ik wekelijks 1 uur scholing in mijn twr schrijf voor het lezen van weblogs en informatie die ik via Twitter aangereikt krijg. Ik wil scholingsruimte om verbeteringen binnen mijn onderwijs te kunnen realiseren, daar heb ik onderzoeks- en experimenteertijd voor nodig. Maar ik ben opgehouden te willen in een lerende organisatie te werken.

Een goede leraar ben je nooit in mijn ogen, je bent altijd op weg er een te worden. En daar is o.a. professionalisering voor nodig, toegesneden op eigen mogelijkheden en wensen. Afgevulde petflessen horen in het schap in de supermarkt.

‘De kwaliteit van het onderwijs is een aanhoudende zorg van het volk …’

Al zou je willen, je kunt er niet omheen. Er wordt gemord over de kwaliteit van het onderwijs, van laag naar hoog en terug, en over de kwaliteit van de mensen die dat onderwijs verzorgen. Wie denkt dat het typisch iets is voor onze huidige samenleving, die heeft het mis. Al in 1591 publiceerde Dirck Adriaensz. Valcooch een traktaat met raadgevingen voor goed onderwijs. Aanleiding voor dit geschrift was de abominabele kwaliteit van de toenmalige onderwijzers. Het duurde nog zo’n tweehonderd jaar voordat er formele beroepseisen gesteld werden. De lager-onderwijswetten van begin 19e eeuw legden onbedoeld de kiem voor wat later de Schoolstrijd werd genoemd en die tot in de 20ste eeuw doorwoedde. Maar die schoolstrijd was gewoon een conflict over de kwaliteit van het onderwijs. En alle onderwijswetgeving van de laatste 50 jaar kan gezien worden als reparaties van wat gezien werd als gebrekkig onderwijs. De rode draad is steeds het begrip kwaliteit. Ook in het huidige discours over onderwijs wordt het begrip te pas en te onpas gebruikt als ware het een eenduidig begrip. ‘De kwaliteit van dit of dat is niet of wel goed’, maar ook: ‘kwaliteit is niet meetbaar’. Wat mij bij dit alles stoort, is dat er niet expliciet gemaakt wordt wat er met die kwaliteit bedoeld wordt. Op deze manier blijft het een containerbegrip waar iedereen maar wat in stopt en waar je het dus nooit over eens wordt. Maar wat is nu kwaliteit?

Wat is kwaliteit?

Kwaliteit is een begrip dat zich op drie niveaus af kan spelen: de kwaliteit die moet, de kwaliteit die hoort en de kwaliteit die kan.

De kwaliteit die moet.
Dit eerste kwaliteitsniveau gaat over het voldoen aan wettelijke eisen en allerlei andere voorschriften. Je kunt het er wel of niet mee eens zijn, je moet er aan voldoen. Of het nu gaat om het bouwen van een huis, het inrichten van een opleiding, het aanleren van kennis of vaardigheden of het opvoeden van kinderen: er zijn wetten en regels waar je je aan te houden hebt. En je kunt meten en/of vaststellen of dat gebeurt.

De kwaliteit die hoort.
Dit tweede kwaliteitsniveau omvat het eerste. Hetgaat hier over de verwachtingen die gebruikers, klanten e.d. hebben. In het mbo zijn door JOB een paar jaar geleden de 10 regels voor goed mbo geformuleerd. In een restaurant wil ik vriendelijk bejegend worden. Dat zijn wensen van afnemers, zij verwachten dat het product dat zij afnemen daar minstens aan voldoet. Dat kun je meten en/of vaststellen.

Onderwijsblad 11 mei 2013
Onderwijsblad 11 mei 2013

De kwaliteit die kan of mag.
Dit kwaliteitsniveau is het niveau waar je onderscheidend kunt zijn, waar je boven de verwachtingen van de afnemer uitstijgt. Dit is het terrein van het vernieuwende, het afwijkende, het bijzondere, het verrassende, het eigene. De vormgeving van een gebruiksvoorwerp, de technische mogelijkheden van een apparaat, de smaak van een product, het innovatieve van een concept. De beleving hiervan door afnemers is allemaal te meten en/of vast te stellen.

Is kwaliteit meetbaar?

Kwaliteit mag dan misschien niet altijd meetbaar, kwantificeerbaar zijn, vast te stellen is het wel. Geluk, verdriet, vooruitgang, ontwikkeling zijn dan wel niet in een getal uit te drukken, je kunt ze wel vaststellen. En als dat niet kan, kan het geen onderwerp van de discussie meer zijn, dan kom je in het gebied van het geloven. Wittgenstein zei het al: “Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen”. Dit betekent dus dat voor mij elk onderdeel van het begrip kwaliteit meetbaar of vast te stellen moet zijn. Daarna volgt pas de (subjectieve) interpretatie van het gemeten resultaat of vastgestelde. Concreet: met het afnemen van een CITO toets is niets mis, de discussie moet gaan over hoe het resultaat gebruikt wordt. Je kunt tenslotte de guillotine ook niet kwalijk nemen dat kop en romp gescheiden worden van degene die er op terecht komt.

Wat betekent dit nu voor het onderwijs?

De kwaliteit die moet.
Onderwijswetgeving is het kader waarbinnen het zich allemaal moet afspelen. Is dat een ruim of een knellend kader? Het antwoord hangt natuurlijk gedeeltelijk af van wat je wilt en van het onderwijstype, maar ik denk dat er binnen de kaders nog heel veel mogelijk is. Met name op het gebied van het pedagogisch en didactisch handelen, gezien de verschillende onderwijsvormen die er in het basisonderwijs bestaan. Betekent dit nu dat een kind zich niet meer vrij kan ontwikkelen, een wens die door velen geuit wordt? Ik vind die roep om die vrije ontwikkeling een beetje een dooddoener, een stoplap. De discussie zou moeten gaan over de richting waarin die ontwikkeling zich afspeelt en welke methodieken je als opvoeder of leerkracht daarbij hanteert. J.J. Rousseau heeft er ooit een boek over geschreven, Emile, maar die methode heeft voor zover ik weet nooit brede toepassing gevonden. Bonnie & Clyde hebben zich ook vrij ontwikkeld, dus passen in de stoplap, maar de richting van die ontwikkeling zal niet de richting zijn die de meeste ouders voor hun kinderen in gedachte hebben. Die vrije ontwikkeling is de facto dus aan heel veel beperkingen onderhevig, met name culturele. En dat geldt al helemaal als er ook nog voor een beroep opgeleid moet worden.

De kwaliteit die hoort.
Wat mogen wij als samenleving van basisscholen verwachten als afnemer? Zijn daar grenzen aan? Hebben basisscholen een beleid als het gaat over de rol en verwachtingen van de ouders? Ik zou als leerkracht stapelgek worden als ik 30 kinderen in mijn klas zou hebben en rekening zou moeten houden met de wensen van 30 ouderparen. Je zult als leerkracht het recht op moeten eisen je werk te kunnen doen. Dat is zelfs kwaliteit die moet.
Hebben schoolorganisaties scherp in beeld wat hun afnemers willen?  Houden zij leerlingpanels geleid door externen? Worden er anonieme enquêtes afgenomen? Ik maak me sterk dat de 10 regels voor goed mbo deels ook voor het vo gelden, en wellicht ook het hbo. En als ik door de gangen bij ons op school loop en de lokalen binnen kijk, dan vraag ik me soms af of die collega in de gaten heeft dat wat hij/zij staat te doen absoluut niet overeenkomt met de verwachtingen van het aanwezige publiek. En de vraag die zich dan opdringt is: kan die persoon überhaupt voldoen aan de verwachtingen van het publiek?

Tweet 12 mei 2013
Tweet 12 mei 2013

De kwaliteit die kan of mag.
Dit is het domein waar je als organisatie of individuele docent onderscheidend kunt zijn. En onderscheidend kan ook betekenen dat je door een deel van de klas als een goede leraar bestempeld wordt. Onderscheidend ben je ook als je dingen doet die leerlingen niet verwachten. Denk daarbij aan afwisselende werkvormen met elementen die inderdaad verrassend zijn. Maar dan moet je dat wel in je repertoire hebben. Het is misschien niet groots, maar kleine kwaliteit is ook kwaliteit. In dit domein passen ook de grote onderwijsconcepten die afwijken van de bestaande. Of het nu gaat om Illich, Montessori, Rogers, High Tech High en nog vele meer, het gaat allemaal om een andere kijk op de pedagogische en/of methodisch-didactische benadering. En soms past het binnen de wettelijke kaders, soms niet. Maar er zal iéts geleerd moeten worden.

Conclusie

Over kwaliteit is wel degelijk te discussiëren, mits je maar expliciet maakt waar je het over hebt of welke richting iets op zou moeten gaan. Kwaliteit van het tweede en derde niveau is een recht én een keuze. Zeker voor de individuele leraar. Als we kwaliteitsverbetering van het onderwijs willen, zal het daar en door hem of haar moeten gebeuren.

“Leren digitaliseren laat je inspireren”

digi didactiekOnder deze titel werd afgelopen vrijdag een studiemiddag rond digitale didactiek voor de medewerkers van ons roc georganiseerd. De dag heeft al een rijke historie: ooit in 2003 begonnen als jaarlijkse Blackboardgebruikersdag is nu het accent komen te liggen op de toepassing van ict in het didactisch proces. Een mooi initiatief van de werkgroep.

De opening werd verzorgd door Marcel de Leeuwe, die een goed verhaal hield over de zin en onzin van e-leren. Lekker realistisch en een zeer goede raad: prik door al het opgeblazen taalgebruik heen, laat je niet overdonderen door holle praatjes. Een bijzonder moment was het tonen van een filmpje dat door een van mijn leerlingen gemaakt is en dat Marcel gebruikt om aan te tonen dat ict wel degelijk onderdeel van de leefwereld van onze cursisten is. Na de opening volgden drie workshoprondes van een halfuur die zo ingericht waren dat beginnende en gevorderde gebruikers van ict in het onderwijs aan hun trekken kwamen. Zelf verzorgde ik met een collega een workshop van een uur. Daarin toonden we, aan de hand van mijn dagelijkse lespraktijk, dat bijna alle onderdelen van het didactisch proces digitaal aan te bieden zijn. Bij de diverse fases in het proces maakten we de link naar de beleidsdocumenten van ons roc t.a.v. onderwijsstandaarden en digitale didactiek. Dagdagelijkse praktijk verantwoord vanuit het beleid dus. Al met al weer een prachtige middag.

Hoe verder?

Deze middag merkte ik dat er een groeiende behoefte is aan praktische workshops op het gebied van: hoe doe je dat nou? Hopelijk vindt deze dag een vervolg in een soort rondreizende workshopcarrousel waarin allerlei korte en praktische trainingen gegeven worden. Dan kunnen we echt vooruit.

De c-knop

Tijdens de koffie voorafgaand aan de opening meldde ik mijn co-presentator dat ik mijn c-knop op uit had gezet. Ik ken mezelf, ik wil nog wel eens cynisch uithalen. Behalve een paar kleine uitglij-momenten heb ik me keurig gedragen. Ik heb dus niets gezegd over een aantal dingen die me die dag opgevallen zijn. Maar ik wil ze toch kwijt.

  • Op de locatie waar de bijeenkomst gehouden werd, huizen één collegedirecteur en drie afdelingsmanagers die zich bezighouden met opleidingen in de gastvrijheidindustrie. Niemand was aanwezig om alle deelnemers welkom te heten op de locatie.
  • Ik weet wat de stand van zaken is op het gebied van digitale didactiek bij ons in de afdelingen; dat is voor een groot deel nog een dorre woestijn. Ik was de enige docent van de afdelingen Horeca en Service die aanwezig was.
  • Van de organisatoren begreep ik dat er 110 aanmeldingen waren. Ik schat dat bij de start 20 à 30 aangemelden niet aanwezig waren. Ik vraag me dan af: hoe doen die mensen dat als hun leerlingen niet op komen dagen zonder zich af te melden? Vinden ze dat normaal?
  • Bij de afsluiting waren er ook weer een zo’n 20 à 30 verdwenen. Ik vraag me dan af: wat vinden deze mensen er van als een deel van hun leerlingen vóór het einde van de les zonder iets te zeggen verdwijnt?  Vinden ze dat normaal?

Zo, nu mag de c-knop weer op aan.

 

 

Ben ík nou de weg kwijt?

Volgens het Onderwijsblad van dit weekend AOB april 2013
loop ik grote kans de weg kwijt te zijn als docent. Omdat zelfonderzoek een onderdeel is van mijn professionele houding, ben ik maar eens het artikel in gedoken om na te gaan of ik daadwerkelijk de weg kwijt ben.
Eerlijk gezegd, denk ik van niet en dat komt
voornamelijk door het feit dat ik het artikel nogal warrig vind. In het stuk  worden twee docenten, René Kneyber en Jelmer Evers, uit het voortgezet onderwijs aangehaald. Het is mij niet helemaal duidelijk of de citaten in het artikel letterlijk zijn of interpretaties en indikkingen van de auteur. Om te beginnen wordt het streven van de regering om bij de top vijf van de wereld te komen bekritiseerd. “Sturen op resultaten werkt niet in het onderwijs. Je meet de kwaliteit van het onderwijs niet aan de hand van het aantal diploma’s of de gemiddelde hoogte van een Cito-score”. Sturen op resultaat en dat resultaat verengen tot het aantal diploma’s zijn twee verschillende dingen wat mij betreft. Iedere docent wil resultaat zien, de discussie moet gaan over waar dat resultaat uit moet bestaan. Vervolgens wordt het volgende gezegd: “… aan de ontwikkelingen in het hoger beroepsonderwijs zie je dat sturen op resultaat juist fraude met diploma’s in de hand werkt.” Wat mij betreft heeft de recente geschiedenis van de pabo’s aangetoond dat juist het niet sturen op resultaat tot enorme kwaliteitsarmoede heeft geleid. En de genoemde fraude wordt eerder veroorzaakt door de perverse financieringssystematiek (net zoals in het mbo) dan door de eis dat er naar resultaten gekeken wordt.

Goed onderwijs voldoet volgens de geïnterviewden aan de volgende criteria: ‘het moet excellent zijn, ethisch verantwoord en er moet sprake zijn van engagement’. Nou, met deze containerbegrippen zal niemand het oneens zijn. Maar wat ze inhouden …? Daarnaast moeten de waarden van docenten overeenkomen met de manier waarop toezichthoudende organen het werk controleren. Ik lees hier niets anders dan dat ik als docent me aan moet passen aan de denkwereld van de onderwijsinspectie. Welnu, ik ben ooit in dienst genomen om leerlingen op te leiden tot bekwame beroepsbeoefenaars en daar mag de inspectie mij op afrekenen, niet op of ik in staat ben me te verplaatsen in de denkwereld van de inspecteur. En wat het niveau en inhoud is van een bekwame beroepsbeoefenaar staat keurig beschreven in het kwalificatiedossier (kd). In hoeverre dit laatste voor andere onderwijsvormen geldt, kan ik niet beoordelen.

Waar ik me wel in kan vinden, is de opmerking over de bereidheid van docenten om te professionaliseren. Of, beter gezegd, de onwil om te professionaliseren. Het is wel jammer dat er alleen gewezen wordt naar oudere docenten; laat ik het zo zeggen: bij ons op school komt de onderwijsvernieuwing zeker niet van de jongere collega’s, daar zie ik alleen maar het recyclen van het onderwijs dat ze zelf ooit ondergaan hebben.

Als laatste de gedachte waar ik het hartgrondig mee eens ben: een deel van het begrip kwaliteit is niet te kwantificeren. Het beroerde is alleen dat de discussie nooit gaat over wat we nu precies met kwaliteit bedoelen, wat de inhoud daar van is. En daarmee blijft het hetzelfde containerbegrip als excellent onderwijs, ethisch verantwoord of engagement.

Hoogmoed in historisch perspectief

Hoogmoed werd de bestuurders van Amarantis verweten. Hoogmoed wordt de bestuurders van Zadkine verweten. Zij zullen niet de laatsten zijn in onderwijsland. Maar waar komt dit gedrag vandaan? Is het een uitvinding van de 21e eeuw?

Hoogmoed wordt gezien als de eerste van de zeven hoofdzondende zonde waar de andere zes van afgeleid zijn. Jeroen Bosch schilderde een paneel waar ze alle zeven op verbeeld worden. Hier het detail met Superbia, weergegeven als ijdelheid.

Hoogmoed is van alle tijden. De geschiedenissen van Icarus en het Vrouwtje van Stavoren verhalen ervan. Een aantal jaren geleden stond ik voor het imposante Paleis van het volk in Boekarest. Het schijnt het grootste gebouw van Europa te zijn.

Toen het in de jaren 80 van de vorige eeuw gebouwd werd, stak er een storm van protest op in de westerse wereld. Een aantal monumenten en een hele woonwijk moesten voor de bouw wijken. De opdrachtgever, Ceausescu, werd de ergste vorm van megalomanie verweten. Maar toen ik het in het echt zag, dacht ik:’Hoe zou er tegenaan gekeken zijn als het een stuk naar het westen had gestaan, zeg Frankrijk?’ Een land met presidenten die ook gigantische geursporen na willen laten.

 

En in dezelfde periode dat ik Boekarest bezocht, kwam ik in Berlijn. Op de foto’s de Potzdamerplatz anno 1903 en anno nu.

 
De gebouwen die er nu staan zou je kunnen interpreteren als een wedstrijdje ‘Wie heeft de grootste?’. Maar hier had net zo goed een foto van het fallisch centrum van Rotterdam kunnen staan. Vele gebouwen die wij nu kunstschatten noemen, zoals die uit de klassieke oudheid, zijn ook tot stand gekomen door de behoefte aan pronkzucht en tegen elkaar opbieden. De piramiden in Egypte en het Colosseum zijn er voorbeelden van. Blijkbaar biedt onze cultuur de mogelijkheden om hoogmoed, macht en gevoel van onaantastbaarheid te manifesteren. We hebben zelf een overheid gecreëerd die de winstmaximalisatie van banken goedkeurde, misschien zelfs aanwakkerde. Blijkbaar leven wij in een land waar het belangrijker is dat aandeelhouders een hoog rendement krijgen, dan dat met een lager rendement meer werknemers in dienst gehouden kunnen worden. We hebben zelf een overheid gekozen die voor het onderwijs de outputfinanciering een gezonde prikkel vindt.
Het neoliberale klimaat heeft ons een afrekencultuur gebracht, waarbij termen als mededogen en solidariteit kleven aan verliezers en niet meer aan mensen. In zo’n cultuur doen de bestuurders van A t/m Z hun ding en worden vervolgens het voorwerp van selectieve verontwaardiging. Het volgende cohort van controleurs van controleurs zie ik al weer opdoemen. Maar of dat zal helpen?

Wellicht dat de poëzie ons iets verder kan brengen. Hier de geparafraseerde eerste twee regels van een gedicht van J.C. Bloem:

Ethiek is voor tevredenen of legen.

En dan: wat is ethiek nog in dit land?