Geschiedenis van het beroepsonderwijs I

Voor een strategiebepalingsdag (mooi scrabble-woord) van een branche-organisatie ben ik gevraagd iets te vertellen over de ontwikkelingen binnen het mbo. Nu vind ik dat je niets over actuele ontwikkelingen kunt zeggen als je niet duidelijk maakt in welke historische context die plaatsvinden. Dus eerst maar eens in de geschiedenis van het beroepsonderwijs gedoken om te zien welke lessen daar uit te leren zijn.
Terugkijkend op twee eeuwen beroepsonderwijs constateer ik dat er twee belangrijke ontwikkelingen plaatsgevonden hebben. De tweede zal ik in een volgende post bespreken, de eerste is de schaalvergroting op het vlak van de onderwijsorganisaties.

Het beroepsonderwijs vindt zijn wortels in het middeleeuwse gildewezen, de ultieme vorm van een individueel leertraject. Door allerlei omstandigheden overleefde het stelsel van gilden zichzelf, tot de overheid er in 1798 de stekker uittrok. In de loop van de 19e eeuw ontstonden er vormen van vakonderwijs, geïnitieerd door particulieren (ondernemers). De langzaam op gang komende industriële revolutie en de bloeiende agrarische sector hadden een groeiende behoefte aan geschoold personeel. Pas in 1919 toonde de overheid met de Nijverheidswet voor het eerst belangstelling voor het beroepsonderwijs. De ambachtsscholen en het leerlingwezen werden bij wet geregeld. Tot aan de tweede wereldoorlog groeide het beroepsonderwijs onstuimig, met name het aantal mts-en nam een grote vlucht. In 1968 wekte de Wet op het Voortgezet Onderwijs (Mammoetwet) veel beroering; lager, middelbaar en hoger beroepsonderwijs werden op dat moment onderdeel van het onderwijsbestel. Bijna dertig jaar bleef het rustig, tot in 1996 de WEB weer deining veroorzaakte. De SVM operatie had al fusies teweeggebracht, maar de hausse kwam onder invloed van de WEB: leerlingwezen, mbo, vavo, basiseducatie, NT2, vormingswerk, het werd allemaal bij elkaar gestopt. ROC’s en AOC’s waren het gevolg, slechts enkele vakscholen wisten de dans te ontspringen. Inhoudelijk ging het van leerplannen van een paar pagina’s naar eindtermendocumenten die al wat dikker waren naar kwalificatiedossiers van soms meer dan 200 pagina’s. Ook de organisaties die de schakel tussen middelbaar beroepsonderwijs en bedrijfsleven vormen  bleven niet buiten schot. Waren de toenmalige landelijke organen nog brancheorganisaties, door de WEB ontstond een minder aantal sectoraal georganiseerde kenniscentra en er is zelfs al sprake van dat er één kenniscentrum over zal blijven.
Wat zijn de gevolgen van deze schaalvergroting? Wat mij betreft zijn de twee volgende het belangrijkst:

  • Veralgemenisering: er treedt verlies op van branche gerelateerde expertise, met name bij de kenniscentra. Vreemd als je bedenkt dat de grotere rol van de praktijk en contextrijkheid van het onderwijs speerpunten van onderwijsverbetering zijn.
  • Identiteitsloze organisaties. ROC’s en AOC’s hebben sowieso geen gezicht en de namen van kenniscentra zijn zo algemeen dat die elke lading kunnen dekken die je maar kunt bedenken. In een tijd waarin een merk zijn steeds belangrijker wordt, is deze tendens van ont-branding op zijn minst verwonderlijk te noemen.

De schaalvergroting heeft misschien een efficiency verbetering tot gevolg gehad, voor de onderwijskwaliteit vraag ik me dat af. Het is niet voor niets dat de scholen die jaarlijks hoog eindigen in de Keuzegids mbo-studies kleine organisaties zijn met een duidelijke identiteit.

In de volgende aflevering: de toegenomen invloed van de overheid.

Tagged , , , , , , .Voeg toe aan je favorieten: permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *