Examinering in de bpv

Vrijdag jl. was ik op de conferentie ‘Examineren in de bpv: knelpunten en oplossingsrichtingen‘. Dat het een hot item in het mbo is, bleek uit het feit dat het congres binnen de kortste tijd volgeboekt was en de herhalingsdag die door het Servicepunt examinering mbo op 21 juni georganiseerd wordt ook al.

De inleiding werd verzorgd door Tamara van Schilt, die de aangename taak had de diverse dilemma’s rond het onderwerp te benoemen zonder de oplossing te hoeven geven. Haar voorspelling dat ze allemaal wel op de een of ander manier in de workshops terug zouden komen, klopte helemaal. Marleen van de Wiel van het Servicepunt inventariseerde vervolgens de opvattingen in de zaal aan de hand van 24 stellingen. Middels stemkastjes ging dat razendsnel. Stellingen, uitslagen en presentaties worden op de site van het Servicepunt gepubliceerd.
Tijdens het behandelen van de stellingen, en later ook in het gesprek met vertegenwoordigers van inspectie en ministerie, werd melding gemaakt van het feit dat de inspectie nogal wat opleidingen aangetroffen had waarvan de examinering ‘onder de maat’ was. Het blijken er 82 te zijn. Ik denk dat het er in realiteit veel meer zijn. Ik schrok er van en het verwonderde me dat daar verder niet meer bij stilgestaan werd. Dit zegt toch iets over de kwaliteit van docenten, examencommissies en management? Ik zou er graag wat stellingen over willen formuleren.

Workshops

In drie workshoprondes kon een keuze gemaakt worden uit twaalf onderwerpen. In de eerste ronde verzorgde ik samen met collega E. een presentatie waarin we uit de doeken deden hoe en op grond waarvan wij het examentraject voor de defensieleerlingen vorm hebben gegeven. Bij het ontwerp zijn we van een aantal ontwerpprincipes uitgegaan, principes waarvan we dus vonden dat die zichtbaar moesten zijn in het examentraject: de leercyclus (plannen, uitvoeren, observeren, reflecteren, beslissen), toenemende complexiteit, opleiden en examineren zijn parallelle processen, dialoog leermeester – leerling, het eindpunt (examenplan) moet het startpunt zijn. Daarna hebben we de instrumenten laten zien die we ontwikkeld hebben om het traject vorm en inhoud te geven. De twee andere sessies die ik bijgewoond heb, verschilden qua opzet eigenlijk niet met die van ons. De verschillen zaten in sommige uitgangspunten en keuzes die gemaakt zijn. Opvallend was wel dat de groene sector de handen ineengeslagen hebben, wat kwaliteits- en efficiencywinst oplevert. Kunnen roc’s een voorbeeld aan nemen.

Hamvraag

De hamvraag was natuurlijk: wel of niet examineren in de bpv? Aan het begin van de dag gaf ik hier een volmondig ja als antwoord. In de loop van de dag veranderde dat. Het begrip standaardisatie van toetsing en het door elkaar gebruiken van de termen bpv en werkplek brachten mij aan het twijfelen. Standaardisatie vereist gelijke toetsen, beoordeling en omstandigheden waarin die toetsing plaatsvindt. Bpv en werkplek vallen blijkbaar niet altijd samen: voor leerlingen die de bbl (voor niet-ingewijden: beroepsbegeleidende leerweg, 4 dagen werken, 1 dag naar school) volgen wel; voor de bol (beroepsopleidende leerweg, stage) niet altijd en voor mijn eigen extraneï helemaal niet. Maar vanuit welk perspectief moet je die standaardisatie bekijken? Alle leerlingen in dezelfde ruimte, met dezelfde beoordelaars en met dezelfde outillage? Vanuit de toets gezien ideaal. Maar vanuit de leerling gezien? Die doet examen in een ruimte waar hij niet is opgeleid en waar hij de weg niet kent. Hoe standaard is dat? Maar als je examen laat doen in het leerbedrijf, is er dan nog sprake van standaardisatie? Ik zou zelf het leerproces van de leerling als uitgangspunt nemen, dus daar examineren waar hij het grootste deel van zijn beroepsopleiding heeft genoten.
Dit dilemma bracht mij tot de volgende stelling: standaardisatie van toetsen staat op gespannen voet met toetsen op de werkplek.

Tagged , , .Voeg toe aan je favorieten: permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *