De nieuwe kleren van het mbo

Het de laatste paar weken wat opgerakelde stof rond het mbo is inmiddels weer neergedaald. Aanleiding was de kamerbrief van 2 juni jl. van minister Bussemaker over de toekomst van het mbo, onder de titel: Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo. In de Volkskrant van 13 mei stond al een vooraankondiging: ‘Niks mis met het mbo, daarom moet het anders’. In dezelfde krant stond op 2 juni, tegelijkertijd met het verschijnen van de kamerbrief, een interview met de minister, waarin de maatregelen om een aantal problemen aan te pakken aan de orde kwamen. Op 5 juni volgde een ingezonden brief van een ouder die middels haar kind een jaar ervaring met het mbo opgedaan had en Aleid Truijens deed in haar wekelijkse column van 7 juni ook een obligate duit in het zakje. De prijs voor de meest bijzondere publicatie gaat wat mij betreft naar de advertentie die de STC-Group in diezelfde Volkskrant van 7 juni plaatste.

Waar gaat het allemaal om? Kort gezegd heeft volgens velen het mbo een imagoprobleem bij schoolverlatende vmbo-ers en hun ouders, is het mbo voor de zittende leerlingen niet uitdagend genoeg en sluiten mbo-opleidingen niet goed aan bij wat het bedrijfsleven wil. De minister stelt een aantal maatregelen voor, waar ik er een paar van noem:

  1. De route naar het hbo moet versneld worden, zodat het mbo concurrerender wordt met het havo. De opleidingen worden daarvoor intensiever, het aantal lesuren gaat van 850 naar 1000. Daardoor worden mbo-ers ook meer uitgedaagd. Opleidingen worden verkort van 4 naar 3 jaar.
  2. Regionale accenten in opleidingen worden mogelijk, maatwerk dus.
  3. Potentiële leerlingen wordt duidelijk gemaakt waar de meeste kansen op werk bestaan, zodat er minder voor werkloosheid opgeleid wordt. Voor jongeren zonder vooropleiding wordt een entree-opleiding gestart.
  4. Er komt een verplichting om gebruik te maken van gecertificeerde examenleveranciers.

Ik zal me beperken tot de actualiteit en niet uitweiden over de oorzaken van de geconstateerde malaise.

Allereerst de titel van de brief: Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo. Deze lijkt verdacht veel op het Focus op vakmanschap van de vorige minister. De indruk wordt gevestigd alsof de minister grote waardering heeft voor het vakmanschap an sich, daar zelfs prioriteit aan geeft. De minister wil geen verspilling van vaktalenten die naar het havo gaan i.p.v. naar het mbo. De realiteit is echter anders. Door de toegenomen invloed van de overheid, onder het motto wie betaalt bepaalt, is het belang van het vakmanschap juist teruggedrongen. Het is diezelfde minister die de toegang tot gediplomeerd vakmanschap ernstig bemoeilijkt heeft. Het duidelijkst is dat nu al zichtbaar in de niveau 4 opleidingen: je kunt nog zo’n goede vakman zijn, als je niet voldoet aan de criteria voor rekenen en Nederlands, is dat vakmanschap niets waard. Geen diploma. En dat gaat op termijn ook gelden voor niveau 2 en 3 opleidingen. In een bericht van de vo-raad van 2 juni jl. (bizar toeval) staat de volgende opmerking: ‘De VO-raad krijgt signalen dat mbo-instellingen bij de toelating van vmbo-leerlingen nu al kijken naar de uitslag van de rekentoets. Bij een onvoldoende worden leerlingen in een lager niveau geplaatst of geweigerd voor opleidingen.’ En de minister maar krokodillentranen plengen over het verspillen van talent. Door diezelfde toegenomen invloed van de overheid is de invloed van de bedrijfstakken en branches afgenomen, in sommige gevallen tot 0. De kenniscentra zijn/worden geliquideerd en een identiteitsloos SBB blijft over. Vakmanschap en kennis van vakmanschap worden gereduceerd tot een procedurefabriek.

Een ander aandachttrekkend punt is de verhoging van de urennorm naar 1000 lesuur, waardoor het mbo uitdagender zou worden. Ik vraag me af waar deze redenering op gebaseerd is. Als scholen/docenten er niet in slagen die 850 uur interessant te maken, hoe doen ze dat dan wel met die 1000? De ingezonden brief van de ouder die bewust voor het mbo gekozen heeft, spreekt wat dat betreft boekdelen. Blijkbaar is er op didactisch gebied nog een wereld te winnen.  Met het binnenslepen van vakmensen heb je nog geen goede docenten in huis, dat zijn twee verschillende dingen.

De verplichting van gecertificeerde examenleveranciers is ook een groot pijnpunt. Velen zijn nog niet bekomen van het trauma van de KCE-politie. En nu dreigt weer hetzelfde te gebeuren. Instituten vol met onderwijskundigen gaan ons vertellen hoe en wat we moeten examineren. Onderwijskundigen die misschien verstand hebben van onderwijskunde, maar m.b.t. onderwijs alleen consumentenervaring hebben. En daarbinnen geen enkele ervaring met mbo. Ik denk dat de advertentie van de STC-Group, vijf dagen na verschijnen van de kamerbrief, illustratief en uniek is. Deze kennis- en onderwijsinstelling op het gebied van scheepvaart, logistiek en procesindustrie luidt de noodklok als het gaat om deze verplichting. De cvb-voorzitter verwoordt het als volgt: ‘Dat betekent wederom een verzwaring van de administratieve lastendruk, een degradatie van het beroep van docent en zou voor de STC-Group een verlaging van de kwaliteit betekenen.’ Maar ja, ook hier is de kans groot dat er niet naar de klant geluisterd wordt.

Tot slot het voorstel om over vak- en beroepsonderwijs te gaan spreken. Toen ik begon in het mbo, gaf ik les op een streekschool waar de huidige niveau 2 en 3 opleidingen gegeven werden, met in een aantal vakrichtingen, veelal in de avonduren, een niveau 4 opleiding. Alles in deeltijd, bbl, een opleidingsvorm die in het denken van de minister niet bestaat. De voltijdsopleidingen werden allemaal verzorgd door de mts, mho, mtro, etc., allemaal middelbaar …. onderwijs. In de jaren 90 moest dat allemaal bij elkaar gestopt worden, niemand in het mbo die daar op dat moment op zat te wachten. En nu gaan we, deels, weer terug naar die situatie. Waarbij de hamvraag natuurlijk is, wat het verschil is tussen een vak en een beroep.

Het mbo gaat weer eens nieuwe kleren krijgen. Die kleren zijn echter niet zo nieuw en, wat erger is, voor een deel ook helemaal niet passend. Maar daar zal de minister zich niet om bekommeren, het zijn namelijk niet háár kleren.

De nieuwe kleren

Tagged , .Voeg toe aan je favorieten: permalink.

2 Responses to De nieuwe kleren van het mbo

  1. D. Hupkens zegt:

    zoals op veel terreinen wordt het wiel om de zoveel jaar opnieuw uitgevonden en gaat het voertuig terug naar waar het vandaan kwam.
    Zelf vecht ik de uitvoering CAO VO aan, die in het aangevochten punt overeenkomt met CAO BVE: erkenning en uitbetaling van de werkelijk gemaakte uren door de docent.
    Mijns inziens begint professionaliteit van de docent bij zichtbaarheid van de taak, zowel voor zichzelf als voor de ouders en werkgevers, welke laatsten in VO en MBO voornamelijk hard hun best doen om wel een steeds langer wordend eisenpakket aan de docent te stellen, maar de facilitering ervan achterwege laten.
    Voor de in het artikel genoemde verzwaring van administratie, zal ook geen minuut extra tijd gegeven worden. “het hoort erbij”. Alleen niet op de urenstaat.
    iemanddoetiets.nl vecht ervoor om dit bij de rechter zichtbaar te maken.

  2. Pingback: De rekentoets - DidactICT

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *